Noord versus Zuid in Europa

Noord versus Zuid in Europa

De technologische ontwikkeling heeft Noord en Zuid fysiek dicht bij elkaar gebracht. In sociaal opzicht zijn er nog belangrijke verschillen. Interculturele communicatie blijkt moeilijker dan de meeste mensen denken – het haalt mensen uit hun comfortzone, en daar is bijna niemand toe bereid. Noord vindt Zuid lui en onbetrouwbaar. Zuid vindt Noord kil en respectloos. Noord beschouwt zichzelf superieur, en heeft statistieken gemaakt, die dit tonen. Zuid vraagt Noord om ondersteuning, en voor Noord is dat een teken dat Zuid moet veranderen. Zuid wijst erop dat door hun geografische ligging zij gezamenlijke problemen moeten oplossen. De confrontatie tussen Noord en Zuid ten tijde van de eurocrisis laat zien, hoezeer Noord verblind is geraakt door hun sociale vooroordelen. De beleidsvoorstellen van Zuid om uit de crisis te komen – meer overheidsbestedingen – werden door Noord weggelachen. In de boeken van Varoufakis en Dijsselbloem komen de Noordelijke sociale en economische vooroordelen helder naar voren. De Noordelijke oplossing van de depressie – bezuinigingen en deregulering van de arbeidsmarkt – bleek volstrekt averechts te werken. De begrotingstekorten bleken juist op te lopen. Niemand durft het Noordelijke beleid nog te verdedigen, maar de fouten worden niet toegegeven. En de arrogantie is gebleven. Het vluchtelingenprobleem ligt op het Zuidelijke bordje, en de corona-crisis treft hen het hardst. En Nederland: ‘waarom sparen ze niet meer’? Niets begrepen, niets geleerd. Het zou goed zijn dat de burgers in de EU-landen zelf – de onderwijsinstituties, bijvoorbeeld – het interculturele communicatieprobleem serieus aanpakken. Misschien dat de politici dan volgen.

Piet Keizer, Utrecht University School of Economics. 02-04-2020 (249 woorden).

www.pietkeizer.nl; pietkeizer46@gmail.com;

Posted in Columns | Tagged , , , , , , | Leave a comment

Heleen Slagter over geest en brein

Heleen Slagter over geest en brein

In Trouw van 1 februari (2020) is een column van Heleen Slagter afgedrukt, die als volgt begint: “De menselijke geest is zo complex, en zo fascinerend”. Vervolgens komt er een uitleg van een nieuwe “theorie” in de cognitieve neurowetenschappen ”de minimale voorspelfouttheorie, waaraan het brein lijkt te gehoorzamen. De geest is niet gedefinieerd, en niet geanalyseerd. De sprong naar het brein is snel gemaakt. Dit brein blijkt een realiteit te kunnen construeren. In die realiteit speelt een gevoel van ‘zelf’ ook een rol.

In dit cognitief-neurowetenschappelijke paradigma is geen plaats voor een geest, dat het functioneren van het brein, en van de overige lichaamsdelen beinvloedt. Er is geen psychologie meer. Ik denk dat deze reductie van onze geest tot louter brein, goed passend in het materialisme van onze tijd, een belangrijke verarming is van de voorstelling die we van onszelf maken. Een fenomeen als vrijheid en verantwoordelijkheid van een individu bestaat niet meer, en dat leren we elkaar door er niet meer over te praten. Het is dus de hoogste tijd dat digitale technieken een plaats krijgen in onze hersenen, zodat programmeurs die verantwoordelijkheid overnemen. Is dat VU en Trouw?

Piet Keizer, professor of economic methodology, Utrecht University School of Economics, p.k.keizer@uu.nl; www.pietkeizer.nl.

Posted in Columns, Multidisciplinary Economics | Tagged , , , , , , | Leave a comment

De meeste mensen deugen – ook het boek van Bregman deugt

De meeste mensen deugen – ook dit boek van Bregman deugt

Met het boek “De meeste mensen deugen” heeft Rutger Bregman (2019) een meesterwerk afgeleverd. Zijn missie deugt, en het boek is fraai geschreven. Voor iedereen die het nieuws op de media volgt, is de tekst een noodzakelijk tegengif. Een dergelijke prestatie vraagt ook om een kritische beschouwing – vandaar dit commentaar.

Bregman ziet het orthodoxe christendom als een belangrijke bron van negatieve mensbeelden. Deze visie is daarmee ook zelf een bron van ongeluk; het werkt als een zichzelf vervullende verwachting. De wetenschap heeft daar helaas ook zijn steentje aan bijgedragen: economie over egoisme en concurrentie, sociologie over groepsdenken en rivaliteit, en psychologie over de gevoeligheid van mensen voor beloning en straf. Hij laat zien aan de hand van vele empirische en experimentele onderzoeken, die in het verleden zijn gedaan, dat we minder barbaars en volgzaam zijn dan de onderzoekers zelf, in eerste instantie, hebben geconcludeerd. Nadere bestudering van de onderzoeksrapporten bracht Bregman tot heel andere conclusies.

Het boek pretendeert een nieuwe geschiedenis van de mens te schrijven. Het verhaal begint bij het einde van de ijstijd, zo’n 15.000 jaar geleden. De toenemende temperatuur verhoogde de vruchtbaarheid van de grond. Jagers en verzamelaars hadden een goed leven. Ze zwierven in groepjes van zo’n 40 – 50 mensen rond, en hadden vriendschappelijke contacten met elkaar. In geval van conflicten was het eenvoudig om een eind verderop te gaan jagen en verzamelen. Maar de toenemende productiviteit van de grond maakte het mogelijk om nederzettingen te bouwen en voor langere tijd op een bepaalde plaats te blijven. De groepen werden groter en voorraden van voedsel en werktuigen moesten beschermd worden – mensen zijn nooit engelen geweest! Grotere groepen vereisten strikt leiderschap. Als gevolg van de ontwikkeling van instituties, zoals privaat eigendom en geld, groeide de ongelijkheid, met alle sociale onrust vandien. Als gevolg van de concentratie van grote groepen op een beperkt grondgebied nam de kans op besmettelijke ziekten toe, en het leidde tot voortdurende strijd om de macht in een bepaalde regio.

De sociale psychologie heeft aangetoond dat mensen onder bepaalde omstandigheden tot de vreselijkste dingen in staat zijn; de Holocaust is daar een goed voorbeeld van. Bregman toont echter aan dat veel van de bekende experimenten meer toneelspel zijn dan een echt wetenschappelijk experiment. Het Stanford Prison experiment, het Robbers Cave experiment en de schokmachine van Milgram illustreren dit. In alle gevallen werden bepaalde partijen door de organisatoren van het experiment aangemoedigd flink op te treden. Proefkonijnen waren daar vaak toe bereid, omdat ze dachten dat ze meewerkten aan ‘de wetenschap’, of dat het op één of andere manier natuurlijk maar een spelletje was. Anderen weigerden om mee te blijven doen.

Macht corrumpeert. Maar omdat mensen massaal blijven vasthouden aan het idee dat mensen niet te vertrouwen zijn, en altijd moeten worden gecontroleerd en gemanipuleerd met behulp van beloning en straf, komen we moeiljk van die corrumperende machtsverhoudingen af. Maar er zijn hoopgevende uitzonderingen: Noorse gevangenissen zijn gebaseerd op een heel ander mensbeeld, en de recidive is er vele malen lager dan in de VS. Aan het eind krijgt de lezer een tiental leefregels mee, onder het motto: ken uzelf.

Zoals gezegd, het boek is een opluchting voor hen, die onder de indruk zijn van het kwaad in de mens – het kwaad in alle mensen. Het is goed om de wereld eens vanuit een ander paradigma te ervaren. Maar in het boek van Bregman doet zich een opmerkelijk probleem voor. Het onderwerp betreft de (goede) aard van mensen, maar het overgrote deel van het boek gaat over het gedrag van mensen. Voorzover mensen slechte dingen doen, wordt dit besproken onder de titel: waarom goede mensen slechte dingen doen. En dan blijkt dat macht corrumpeert, en dat machteloosheid ook verslavend werkt: ik kan niets, en ik wil niets. Maar op deze wijze komen we niet tot een eerlijke verdeling van oorzaken. In welke mate wordt gedrag bepaald door psychologische karakteristiek enerzijds en door omstandigheden anderzijds. Mijn antwoord is: altijd door beide factoren, waarbij de twee ook invloed hebben op elkaar. Maar beide factoren hebben een autonoom element ten opzichte van elkaar. Dit betekent dat de hoofdvraag van het boek niet kan worden beantwoord door empirisch of door experimenteel onderzoek alleen. Ook zorgvuldige en deskundig begeleide introspectie (ken uzelf!) zal onderdeel moeten zijn van longitudinaal onderzoek. Sommige mensen zijn egoistischer dan anderen. Sommige mensen hebben een sterkere hang naar materieel comfort dan anderen. Sociaal bewustzijn en milieubewustzijn zijn variabelen.

Mensen hebben naar Bregman’s idee een goed been en een slecht been. Het is maar welk been je traint. Dit lijkt me geen goede metafoor. Kahneman (2011) laat zien dat mensen gevoelig zijn voor gemakkelijk verkregen comfort. De vrsg of bepaalde handelingen ook daadwerkelijk goed zijn, kost meer tijd en energie. Helaas maakt Bregman niet expliciet, wat precies onder goed en wat onder kwaad wordt verstaan. Stel dat iemand een onderneming opricht. Hij is intelligent en werkt hard. Het wordt een succes, en de persoon wordt rijk, hetgeen zijn bedoeling was. Hij houdt zich aan de regels, die de overheid in het land heeft gesteld. De arbeidsvoorwaarden zijn humaan, en het milieu wordt niet vervuild. Volgens de economie draagt hij flink bij aan het algemene welzijn – ook al was financieel gewin zijn motief. Is dit in moreel opzicht goed, slecht of neutraal? Nog een voorbeeld: Nederland werd in 1940 overvallen door Duitsland, een land waar vreselijke dingen gebeurden. Bij de Grebbeberg boden Nederlandse soldaten fel tegenstand. Stel dat een belangrijk deel van de Nederlandse soldaten niet had meegevochten – zodra ze zich konden verstoppen achter een bosje, deden ze dat; zo bang waren ze. Is dat moreel goed, slecht of neutraal? Sociologisch gezien was de Nederlandse reactie goed verklaarbaar – groepssolidariteit. Een laatste voorbeeld: de economische wetenschap wordt sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw in toenemende mate gedomineerd door de neoklassieke benadering. Massa’s economen studeren af, zonder ook maar enig benul te hebben van grote namen uit het vak. Marx, Weber, en Keynes zijn hier goede voorbeelden van. Nagenoeg alle stafleden volgen deze ontwikkeling klakkeloos. Als ze gevraagd worden naar hun eigen visie, worden de schouders opgehaald. Als ze geconfronteerd worden met een alternatieve verklaring voor de crisis van 2008, wordt er wat gemompeld: wat een onzin. Een dergelijk irrationaliteit – allerlei vormen van wetenschappelijk onderzoek niet willen weten – heeft ongelooflijk veel schade toegebracht, ook aan de weggezette personen, die wel hun eigen visie wilden ontwikkelen. Is deze vorm van irrationaliteit moreel goed, slecht of neutraal?

Mijns insziens zijn het sociale zondebokmechanisme (dwarsliggers worden de woestijn in gestuurd) en het psychische struisvogelmechanisme (ongemakkelijke waarheden worden niet toegelaten in de geest) twee grote barrières om tot goed gedrag te komen (Keizer, 2015, 2017a, 2017b, 2018). Mijn onderzoekslijn komt bij hetzelfde punt uit dat Bregman maakt in zijn boek. Creëer omstandigheden waarin het gedrag van mensen niet sterk gestuurd wordt; afgeperkte ruimte moet worden geboden. Dat geldt niet alleen voor kinderen; ook volwassenen, die getalenteerd zijn, moeten in hun werk veilig hun eigen verantwoordelijkheid kunnen dragen. Dwarsliggers en klokkenluiders lopen nu gevaar. Als we mensen vertrouwen geven, krijg je veel van ze terug. Ieder persoon moet leren – levenlang leren – om goed te functioneren in grotere gehelen. Goed functioneren geeft betekenis; ruimte voor creativiteit geeft duurzame voldoening.

Conclusie: of de aard van mensen goed of slecht is, weten we niet. Maar benader elkaar eens wat vaker op basis van vertrouwen – het resultaat kon wel eens verrassend zijn. Benader jezelf eens met wat meer vertrouwen, en investeer in je eigen goede functioneren. Wat een bevrijding is dat.

Literatuur

Rutger Bregman (2016), Utopia for Realists, London: Bloomsbury Paperbacks.

Rutger Bregman (2019), De meeste mensen deugen, Amsterdam: De Correspondent.

Daniel Kahneman (2011), Thinking Fast and Slow, London: Penguin Books.

Piet Keizer (2015), Multidisciplinary Economics, A Methodological Account, Oxford: Oxford University Press.

Piet Keizer (2017a), Hoe de crisis het economische denken verandert, Amsterdam: Amsterdam University Press.

Piet Keizer (2017b), A Multidisciplinary-economic Framwork of Analysis, Journal of Philosophical Economics, X:1.

Piet Keizer (2018), A Multidisciplinary-economic Approach to Inclusive Institutions Analysis, Journal of Theoretical Economics Letters, (34), 6.

 

 

Posted in Columns, Multidisciplinary Economics | Tagged , , , , , , , , , | Leave a comment

Lans Bovenberg over de relationele economie

Lans Bovenberg over relationele economie

Inleiding

Vrijdag 1 november jl. hield Lans Bovenberg zijn inaugurele rede, waarbij hij de leeropdracht, die behoort bij de nieuwe leerstoel Relationele Economie, aanvaardde (Bovenberg, 2019). Het was een helder betoog, waarin hij de relationele benadering in de economie goed heeft neergezet. Ik zal eerst de inhoud kort weergeven. Vervolgens zal ik een aantal punten van kritiek formuleren.

Relationele economie

Deze wijze van economie-beoefening is gebaseerd op een relationeel mensbeeld. In onze jeugd zijn we allemaal opgevoed en onderwezen in de belangrijkste waarden, die ons leven sturen. We hebben de wereld verkend in een liefdevolle omgeving, waardoor onze angst voor het onbekende geen kans kreeg om ons te verlammen. We hebben allemaal de potentie om lief te hebben, en deze liefde om te zetten in een aantal waarden, die verwezenlijkt moeten worden. Bovenberg noemt er drie: welzijn, inclusiviteit en duurzaamheid. Deze doelen kunnen bereikt worden door samenwerking, die de vorm van een hierarchie, van marktconcurrentie of van vrijwillige samenwerking kan aannemen. Bij een goed verloop voor alle partijen wordt het vertrouwen, en daardoor de samenwerking bestendigd. Als gevolg van fouten en misverstanden kan het vertrouwen geschaad worden, waardoor we in een negatieve spiraal terechtkomen. Beroving vormt een bedreiging. Hierdoor wordt groepsvorming en sociale strijd versterkt. Leiders van groepen moeten groepssentimenten onderdrukken, en de dialoog met leiders van de tegenstanders aangaan. Waar het gaat om landen, moet de overheid de leiding nemen om de interne cohesie te versterken, en het gesprek met de leiders van andere landen aangaan.

Neoklassieke economie

Bovenberg zet zijn benadering af tegen de heersende neoklassieke economie. Deze stroming is gebaseerd op de bekende homo economicus. Hij is economisch gemotiveerd, gaat geen sociale relaties aan, en maakt op volledig rationele wijze zijn keuzen. Samuelson en Becker zijn twee bekende economen, die dit paradigma hebben uitgewerkt. Preferenties van mensen blijken uit hun gedrag: “revealed preferences”. Ze worden als stabiel beschouwd, hetgeen impliceert dat een mens vooral reageert op veranderingen in prijzen van goederen en in het vermogen van mensen. Markten zijn altijd dicht bij hun evenwicht, omdat schokken van buiten relatief snel worden verwerkt in de keuzen van mensen. Waarden vallen samen met preferenties.

Gedragseconomie

Er is een samenwerking ontstaan tussen economen, die zich niet konden vinden in het neoklassieke mensbeeld enerzijds en behaviouristische en cognitieve psychologen anderzijds. Bovenberg gebruikt vooral het werk van Kahneman (Kahneman, 2011). Hij onderscheidt bij de analyse van het brein twee systemen. Systeem 1 is opgeslagen in het limbische systeem. Hier worden snelle, automatische beslissingen verwerkt; ze kosten de persoon weinig tijd en energie. Systeem 2 is opgeslagen in de cortex. Hier worden langzame, weloverwogen beslissingen genomen; ze kosten veel tijd en energie. Systeem 1 gaat over gewoonten en impulsen, systeem 2 gaat over de evaluatie van de resultaten van systeem 1. In beide gevallen hebben processen een cognitieve, maar ook een emotionele kant.

Terug naar de relationele economie

Bovenberg interpreteert het werk van systeem 2 als een poging om preferenties om te buigen naar waarden. In de eerste plaats gaat het dan om persoonlijke en sociale waarden, welke van jongs af aan in kleine groepen zijn geleerd en geïnternaliseerd. In de tweede plaats gaat het over ethische waarden, welke voor alle groepen in de wereld geacht worden te gelden. Deze moeten worden nagestreefd in de grote samenwerkingsverbanden, dat zijn de banden tussen mensen, die elkaar niet kennen. Leiderschap speelt hierin een grote rol: de achterban moet duidelijk worden gemaakt dat korte-termijn groepsbelangen moeten worden ingeruild voor gemeenschappelijke lange-termijn belangen. Als er vertrouwen is tussen de leider en de bevolking biedt de relatie voldoende geborgenheid.

Bovenberg maakt een onderscheid tussen transacties en relaties. In het eerste geval speelt de sociale kant geen grote rol. Het ik-motief wordt aangesproken, de transactie kan eenvoudig worden gespecificeerd, en na afloop is er geen binding tussen de partijen. In het geval van relaties is er vooraf en achteraf een sociale band – gebaseerd op gemeenschappelijke persoonlijke en sociale waarden. Regelmatige reflectie kan de mensen dichter bij elkaar brengen, en rituelen kunnen de waarden bestendigen.

Methodologisch commentaar

In zijn onderscheid tussen transactie en relatie gaat Bovenberg er vanuit dat transacties van het eenvoudige type, waarbij de kosten gemakkelijk kunnen worden gespecificeerd, economisch van aard zijn: het ik-motief domineert. Relaties ontwikkelen zich als de interacties complex zijn, en er vertrouwen nodig is om flexibel te handelen. Het wij-zij motief domineert de interactie. Leden van eenzelfde groep vertrouwen elkaar en de transactiekosten zijn laag. Interactie tussen mensen die tot een verschillende groep behoren, is een stuk ingewikkelder: eerst moet vertrouwen groeien; anders geen handel. In de dagelijkse realiteit zijn alle transacties onderhevig aan beide motieven: menselijk handelen is altijd en overal multi-motivationeel. Hierdoor zullen vele economisch doelmatige transacties nooit plaatsvinden. Ook is het denkbaar dat transacties op een sociaal gezien schandalige wijze plaatsvinden, waardoor deze voor de uitbuiter economisch profijtelijk wordt. Anderzijds zullen vele sociaal-doelmatige handelingen plaats vinden, ook al is dat niet economisch. Dit betekent dat economische transacties geen empirisch karakter hebben – motieven kunnen alleen door de persoon zelf introspectief worden waargenomen. Zelfs in de meest onpersoonlijke relaties zijn mensen geneigd om een minimum aan respect te tonen. Ook geldt dat bazen hun werknemers voortdurend als slaven of robots kunnen behandelen, of the contracten complex zijn of niet. Uit de systeem-analyse weten we dat systemen op twee manieren kunnen worden bekeken. In de eerste plaats worden aspect-systemen onderscheiden. De elementen van een geïntegreerd systeem kunnen vanuit één aspect worden bekeken. Ten tweede kunnen we subsystemen van algemene systemen onderscheiden. De elementen vormen dan een onderdeel van de algemene verzameling van elementen. Aspect-systemen zijn ideaal-typische beelden, waarmee ideaal-typische mechanismen kunnen worden geanalyseerd. Een bekend voorbeeld is het marktmechanisme in de orthodoxe economie, het zondebokmechanisme in de sociologie en het struisvogelmechanisme in de psychologie. In de praktijk komen deze zuivere elementen niet voor. Maar we hebben ze wel nodig, omdat de praktijk begrijpelijk wordt door de genoemde mechanismen te integreren tot een complex mechanisme: algemeen en integraal. Indien mogelijk kan de onderzoeker per praktisch probleem één of twee ideaal-typische mechanismen buiten beschouwing laten.

Het paradigma van Bovenberg gaat niet in op het psychisch motief (Keizer, 2015, 2017, 2018). Hij bespreekt wel modern neuro-economisch onderzoek. Er zijn twee systemen in het brein. De tweede heeft als functie om het eerste systeem in bedwang te houden. Hier ontbreekt een analyse van de geest, van de psychische spanningen die bestaan tussen de behoeften van de actuele en de eigenlijke zelf, en de rol die de ‘ik’ daarin speelt. Omdat de analyse van Bovenberg ook gaat over vrijheid en verantwoordelijkheid, is het mentale systeem een noodzakelijk onderdeel van de analyse.

Ook wordt er geen expliciet geformuleerd paradigma gepresenteerd omtrent de aard van de situatie, waarin mensen zich bevinden. De relationele analyse begint met een evenwichtssituatie: preferenties zijn gelijk aan waarden. Dan blijkt er iemand een fout te hebben gemaakt, of er is een misverstand. Zo ontstaat wantrouwen. Als dit niet goed wordt uitgesproken, groeit de achterdocht, en wordt het steeds moeilijker om uit de vicieuze cirkel te komen. In deze situatie komt Bovenberg met ‘leiderschap’. De analyse lijkt op die van de Oostenrijkse school, die marktproblemen laat oplossen door de ondernemer. Hij hoopt door middel van innovaties marktaandeel van anderen af te snoepen. De leider in de relationele economie heeft als taak zijn achterban te overtuigen dat samenwerking met ‘de vijand’ voor iedereen voordelig is.

De Oostenrijkse analyse van een markteconomie gaat echter niet uit van evenwicht. Sterker: er is nooit evenwicht geweest, en er zal in de loop van de geschiedenis ook nooit evenwicht komen. Vooruitgang is gebaseerd op destructie van verouderde niet-functionerende elementen, en zal nooit meer stoppen.

Destructie van mensen die nooit productief zullen worden, om daarmee ruimte te scheppen voor de productieve mensen: dat is natuurlijk strijdig met het axioma van Bovenberg. Door liefde te tonen voor vriend èn vijand zullen we zingeving ervaren, en daar kan geen groei van goederenstromen tegenop. De dreiging van werkloosheid onder de middenklasse als gevolg van de robotisering wordt door Oostenrijkse evolutionairen heel anders benaderd worden dan de relationisten dat doen.

In de heterodoxe economie wordt het evenwichtsdenken afgewezen. Het is te mechanisch en de werkelijkheid wordt als een gesloten en gedetermineerd systeem beschouwd. Heterodoxie impliceert dat de realiteit een open systeem is, een organisme dat beter of slechter functioneert. Maar het is altijd in beweging, ook de menselijke motieven. Dat betekent dat empirisch onderzoek niet in staat zal zijn om lange-termijn correlaties te ontdekken; en dat in tegenstelling tot de natuurwetenschappen. De evolutionaire ontwikkeling laat zien dat onze technische kennis voortdurend toeneemt. Mensenkennis ontwikkelt zich anders. Historische lessen worden getrokken en weer vergeten. Vijandschappen worden besproken en vredesinstituties ontwikkeld ………. totdat de spanningen te groot worden en nieuwe vijandschappen zich voordoen. Wat is de rol van leiderschap in een heterodoxe wereld? Onze geschiedenis laat zien dat er altijd grote groepen zijn geweest, die, om wat voor reden dan ook, niet heel productief waren. Velen gingen al jong dood; een soort van Schumpeteriaanse destructie. In de gangbare evolutionaire theorie en in de conflicttheorie in de sociologie is het goed dat bepaalde partijen in een conflict het onderspit delven: ze maken ruimte voor de overwinnaars. Het zal interessant zijn om te zien hoe de relationele economie zich ontwikkelt in dit verband.

Dit brengt ons tot een vierde en laatste commentaar. Bovenberg staat voor de opdracht om de belangrijkste obstakels naar een liefdevolle wereld te belichten en te overwinnen. Hij stelt zich voor om empirisch onderzoek te doen. Dat lijkt mij niet de belangrijkste stap. De grote weerstand tegen een liefdevolle samenleving zit namelijk verborgen in de menselijke geest. Ieder persoon heeft er belang bij om over zijn donkere kanten intransparant te zijn voor de ander, en zelfs voor zijn eigen zelf (Kets de Vries, 2006). In geval van fouten heeft hij de neiging om dat te ontkennen – het was de ander of ‘de situatie’. Ieder persoon heeft ook een behoefte om anderen te domineren, de baas te zijn. Sommige andere personen hebben de behoefte om autoriteiten te weerstaan, ongeacht hun prestaties. Velen hebben een sterke behoefte aan veiligheid, en zijn bereid om een dictator het voordeel van de twijfel te geven. Als hij het volk niet al teveel uitbuit, dan kan hij lang regeren.

De schaduwkanten ontbreken in het mensbeeld van Bovenberg. Heracleitos leerde ons al dat de menselijke rivaliteit een belangrijkste motor is, die ons in beweging houdt (‘panta rei’). Girard (1978) komt na veel studie van de grote literatuur over een hele lange periode tot dezelfde conclusie. Literatuur waarin realistische psychologie en sociologie samenkomen, levert belangrijke verklaringen op voor de voortdurende agressie tussen mensen. Daar liggen de hobbels die genomen moeten worden.

Tot slot

De oratie geeft een heldere analyse. Maar een methodologisch georienteerd kommentaar laat zien dat er nog veel theoretisch en introspectief werk verricht moet worden. Empirisch onderzoek moet wachten, omdat eventuele resultaten nog niet verklaard kunnen worden. Introspectief onderzoek moet de nieuwe uitdaging worden. Psycho-therapie voor iedereen, te geven door experts, die zich grondig hebben verdiept in de menswetenschappen, en bereid zijn om de eigen schaduwkanten te belichten. Het is tijd voor deze vorm van Verlichting.

Literatuur

Bovenberg, L. (2019), Where is the love?, Over Waarde en waarden, oratie, Rotterdam: Erasmus School of Economics,

Girard, R. (1978), Things Hidden Since the Formation of the World, Stanford: Stanford University Press.

Kahneman, D. (2011), Thinking, Fast and Slow, London: Penguin Books.

Keizer, Piet (2015), Multidisciplinary Economics, A Methodological Account, Oxford: Oxford University Press.

Keizer, Piet (2017), A Multidisciplinary-economic Framework of Analysis, Journal of Philosophical Economics, X:1.

Keizer, Piet (2018), A Multidisciplinary-economic Approach to Inclusive Institutions Analysis, Theoretical Economics Letters (34), 6.

Kets de Vries, M. The Leader on the Couch: A Clinical Approach to Changing People and Organizations, Chicester: John Wiley & Sons.

——————————————

 

Piet Keizer

Professor of Economic Methodology, Utrecht University School of Economics. 18/11/2019.

————————————————-

 

 

Posted in Artikelen, Multidisciplinary Economics | Tagged , , , , , , , , , , , | Leave a comment

Nobel armoedeonderzoek gaat ten onder aan ‘poor economics’

Nobel armoedeonderzoek gaat ten onder aan ‘poor economics’

Piet Keizer

 

Armoedeonderzoek

Abhijit Banerjee en Esther Duflo krijgen op 10 december a.s. de Nobelprijs Economie uitgereikt voor hun armoede-onderzoek. Ze hebben veel werk verricht in een aantal arme landen, met name naar de wijze waarop de allerarmste mensen beslissen over zaken als voeding, scholing, gezondheidszorg, sparen en lenen. Wat hun onderzoek bijzonder maakt, is de toepassing van een instrument, dat in de geneeskunde al heel lang gebruikelijk is, te weten de “Randomly Controlled Trials”. Er worden twee groepen samengesteld, beide bestaande uit mensen met een inkomen lager dan een dollar per dag. De éne groep krijgt bijvoorbeeld een anti-malaria bednet tegen een sterk gereduceerde prijs. De andere groep vervult de rol van contrôle-groep. Na een bepaalde periode worden de twee groepen vergeleken in termen van aantallen verkochte bednetten, het gebruik ervan en de verspreiding van malaria. Om een goed beeld te krijgen van hun werk bespreek ik hieronder hun boek Poor Economics, A Radical Rethinking of the Way to Fight Global Poverty. Het boek geeft een uitvoerige uiteenzetting van een zeer groot aantal experimenten. Hun tekst wordt voortdurend gelardeerd met methodologisch commentaar. Het werk van Jeffrey Sachs en William Easterly wordt regelmatig gebruikt als contrast. Beiden hebben op hun eigen neoklassieke wijze in het verleden advies en commentaar gegeven op armoedebestrijding. Hoewel de goede intenties van Banerjee en Duflo (B&D) buiten kijf staan in het denken over de strijd tegen armoede valt is hun werk methodologisch chaotisch en gereduceerd.. Het is chaotisch omdat veel gebruik wordt gemaakt van het orthodox-economische idee dat het economische motief de enige drijfveer van menselijk gedrag is, maar vervolgens wordt er regelmatig verwezen naar de rol van sociale normen en het psychologische fenomeen van de intertemporele inconsistentie. Deze twee elementen zijn exogene constanten, en dus geen endogene variabelen in hun analyse, terwijl ze in de realiteit dat wel zijn. In de wetenschapsfilosofie heet dat ‘adhocery’. Het is ook gereduceerd omdat macro-fenomenen als samenleving, cultuur en de economie als geheel worden afgewezen. Toch duiken sociale normen zo nu en dan op, en ook geloof (‘faith’) speelt zo nu en dan een rol. Dit is dus reductie; holisme wordt afgewezen. De chaos wordt compleet als vervolgens wel een zuiver post-Keynesiaanse arbeidsmarkttheorie ten tonele verschijnt. Aan het einde van deze bespreking volgt een systematischer uiteenzetting van het methodologische falen.

Continue reading

Posted in Artikelen, Multidisciplinary Economics | Tagged , , , , , , , , , , , , , , | Leave a comment

Monetaire politiek is geen techniek

Monetaire politiek is geen techniek

De afgelopen weken hebben een aantal artikelen in de NRC gestaan, waar woede uit sprak. Het beleid van de ECB wordt aangeduid met termen zoals bazooka, onteigening van spaartegoeden, en het wegbuldozeren van minderheden. De schrijvers hebben geen argumenten meer en gaan dan schelden. De president van DNB laat zich negatief over De ECB uit – dat is niet oncollegiaal; het is volkomen terecht dat hij uit zijn vel sprong. Vroeger was het tenminste a-politiek, het waren experts, en het algemeen belang werd gediend. Nu heeft de president van de ECB consensus en samenwerking overboord gegooid. Hi luistert niet naar een minderheid!

Het taalgebruik verhult een ernstig gebrek aan kennis van de financiële wereld. De NRC heeft de laatste 10 jaren geen enkele keer een goed verhaal over Keynes gepubliceerd, dat een andere politiek dan die van Duitsland en Nederland met argumenten kan ondersteunen. Frappant is het feit dat dit ook voor de universitaire studieprogramma’s economie geldt. Klaas Knot (DNB) heeft in Groningen economie gestudeerd, en is daar nooit met Keynes geconfronteerd (in zijn tijd was ik daar docent). Nu wordt er steeds gesuggereerd dat de landen die tegen Duitsland en Nederland zijn, louter korte-termijn politieke motieven daarvoor hebben. In de Griekse kwestie hebben we kunnen zien, hoezeer het Trojka- programma averechtse effecten heeft opgeroepen.

Altijd tot gesprek bereid

Piet Keizer, associate professor of economic methodology, Utrecht University School of Economics, 25-9-2019.

 

Posted in Columns, Multidisciplinary Economics | Tagged , , , , | Leave a comment

Banerjee and Duflo on poor economics

Banerjee and Duflo on poor economics

Piet Keizer

In their book `poor economics, a radical rethinking of the way to fight global poverty’ Banerjee and Duflo (BD) attack two theoretical positions. The first is the shock-therapy of Sachs, and the second the free market-solution of Easterly. Sachs assumes that the very poor (income less than $1 a day) are trapped in a so-called poverty trap. Their income is too low to maintain their physical and cognitive capital. It means that consumption is declining over time, making their situation worse. The economy must have a spending impulse, which increases all incomes. That makes it possible for the poor to save and invest. Easterly considers the government as the cause of poverty. Its intervention frustrates the functioning of local markets, at the cost of local suppliers. The same holds for foreign aid – it does not lead to structural improvement.

According to BD it makes no sense to pose universal statements about the key factor that produces structural poverty. Examples of key factors: lack of free markets, governments, conflicts, laziness of poor people, etc. It is better to analyse the complex dynamics in how the poor make their decisions. We must search for evidence, showing how poor react on a particular measure rather than continue fighting by means of sweeping statements. The best way to find empirical evidence is the method of the Randomly Controlled Trials (RCT).

Continue reading

Posted in Artikelen, Multidisciplinary Economics | Tagged , , , , , , | Leave a comment

Geldschepping en schulden, altijd weer die hardnekkige misverstanden

Geldschepping en schulden, altijd weer die hardnekkige misverstanden

De afgelopen weken bevatten de media veel berichten over geldschepping en schulden met betrekking tot de wereldeconomie, de eurozone in het bijzonder. Het is opvallend dat na zoveel jaren van crisis vooraanstaande economen, politici en media geen heldere analyse hebben van de relevante relaties op deze punten. Interestvoeten zijn historisch laag en dus te laag. Schulden zijn historisch hoog, en dus te hoog. Er is doorlopend een discussie over de vraag of de centrale bank met haar programma van ´quantitative easing´ de geldkraan te ver opendraait. De verwachte inflatie wordt echter nog steeds niet gerealiseerd. Een volgende recessie wordt al wel weer verwacht.

Er zit een heldere neoliberale lijn in de diagnoses en therapieën.

Continue reading

Posted in Columns | Tagged , , , , , , , , , | Leave a comment

De economie van het poldermodel

De economie van het poldermodel

  1. Inleiding

In de periode 2008 – 2017 heeft de Nederlandse economie in een forse depressie gezeten. Geen enkele spraakmakende econoom had ons hiervoor gewaarschuwd. Minder gehoorde economen, daarentegen, hadden uitvoerig geargumenteerde waarschuwingen laten horen, maar die waren aan dovemansoren gericht (Keizer, 2015). Ook hebben we gezien dat niemand van de mensen die in de Sociaal-Economische Raad, de Stichting van de Arbeid, het Ministerie van Sociale Zaken en de Bankraad van De Nederlandsche Bank zitting hadden, zich in de media kritisch heeft uitgelaten over de crisisbestrijding. Het Kabinet verwees naar de regels van de eurozone en een overgrote meerderheid van het Parlement voegde zich daarnaar. Het economisch liberalisme vertelt ons dat een markteconomie alleen in problemen kan komen door een teveel aan overheid, en het conservatisme vertelt ons dat regels er zijn om gehandhaafd te worden. Duitsland verenigt deze principes en Nederland volgde slaafs (Varoufakis, 2016, Dijsselbloem, 2017). Regels die in tijden van mooi weer zijn opgesteld, kunnen bij slecht weer wel eens heel verkeerd uitpakken. Tot op de dag van vandaag hebben we de Polder nauwelijks gehoord over deze “faut pas”.

Continue reading

Posted in Papers | Tagged , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , | Leave a comment

Cultuurmarxisme is een onzinnig begrip, want gebaseerd op een contradictie

Cultuurmarxisme is een onzinnig begrip, want gebaseerd op een contradictie

Naar aanleiding van de verschijning van de Nederlandse vertaling van het boek, dat Gramsci in de gevangenis heeft geschreven – “Alle mensen zijn intellectuelen” –, bespreekt Hubert Smeets het begrip cultuurmarxisme (NRC, Hubert Smeets, Politieke strijd in de bovenkamer, 31 mei, 2019). Het artikel gaat zo op in de commentaren van een aantal ‘rechtse mensen’, zoals Maarten Boudry en Paul Cliteur, dat een goede bespreking van het gedachtegoed van Gramsci er onder lijdt. Ik kom tot de conclusie dat de term cultuurmarxisme, zoals Hubert Smeets dat van Boudry overneemt, geen marxisme is, en dat de babyboomers, die ervan worden beschuldigd er aanhanger van te zijn, eerder te weinig dan teveel culturele strijd hebben geleverd.

Continue reading

Posted in Columns | Tagged , , , , | Leave a comment