Dijsselbloem in Trouw

Dijsselbloem in Trouw

Zaterdag 1 september publiceerde Trouw een interview met Jeroen Dijsselbloem. Het is opvallend hoe sterk de interviewer meegaat met de persoonlijke waardering van Dijsselbloem voor zijn Griekse tegenspeler. Inhoudelijk gaat het nauwelijks over de grote vraag of het pakket van bezuinigingen en hervormingen het herstel heeft bevorderd of belemmerd. Daar komt Dijsselbloem goed mee weg. We weten dat vele economen van naam – Stiglitz, Krugman, Galbraith, Summers, Sachs en Buiter bijvoorbeeld, pal achter de Griek stonden. Ook het IMF, het ECB en de Fed hadden ernstige bedenkingen bij het beleid van de Duitse minister van Financien, Schauble en Dijsselbloem. Maar wat echt niet kan, is de mededeling dat voorzichtige schattingen uitwijzen dat de Griek zijn land minstens honderd miljard heeft gekost. Dijsselbloem: “De duurste minister van Financien in de geschiedenis. Wie ook maar een beetje verstand heeft van de situatie enerzijds en van kosten-batenanalyse anderzijds, schaamt zich voor deze opmerking. Er is geen bronvermelding (!), maar uit het boek van Dijsselbloem blijkt dat Regling, de baas van het noodfonds en Wieser de naaste medewerker van Dijsselbloem, de bronnen te zijn. Een dergelijke ‘vinger in de lucht’- methode verdient geen publicatie.

 

Piet Keizer, professor of Economic Methodology, Utrecht University School of Economics, 13 – 09 – 2018

Advertisements
Posted in Columns | Tagged , , , , , , , , , | Leave a comment

Het FD over het academisch economie-onderwijs

Het Financieele Dagblad over het academische onderwijs in de economie

Afgelopen vrijdag heeft een journalist van het FD een artikel geplaatst over het academisch onderwijs in de economie. Een onderdeel van zijn voorbereiding was een gesprek met mij over mijn boek dat vorig jaar door Amsterdam University Press gepubliceerd (zie de titel aan het einde van deze tekst). Toen het artikel geplaatst werd, bleek dat het FD een collega had gevraagd om kritisch te reageren; hij kreeg echter het boek, op basis waarvan het interview had plaatsgevonden, niet toegestuurd. Dit bleek een bron van misverstanden. Vandaar een korte reactie op de kritiek. de meeste voorbeelden zijn leuk om te lezen, maar ze raken mijn essentiele kritiek niet. Waar het echt mis gaat, zijn de volgende punten:

  1. Het boek van Acemoglu en anderen gebruikt de term ‘neoklassieke theorie’ niet eens.  Reactie: precies, zo erg is het al geworden. Ik ken het werk van Acemoglu goed, en de man is wars van theorie: hij ontwikkelt een institutionele boodschap, zonder ook maar 1 keer duidelijk te maken, welke gebeurtenissen als een prikkel werken, en welke niet. Hij gebruikt nooit enige referentie naar sociologie en psychologie. Het is ongelooflijk hoe chaotisch deze man omgaat met begrippen. Door niets te zeggen over zijn theoretische kader probeert hij ermee weg te komen.
  2. Het voorbeeld van de werking van de meloenenmarkt: als de prijs ervan daalt, gaan de mensen er meer van kopen. Reactie: een onderzoeker heeft een multi-disciplinair kader nodig om per geval te kijken of het economische, het sociale motief of het psychische motief een doorslaggevende rol speelt. Reduceren, zonder dat de onderzoeker weet waarvan, is dogmatisme. Zelfs een markt voor meloenen is institutioneel ingekaderd. Het effect van een prijsverlaging op de verkopers kan sociale en psychische gevolgen hebben. Als dat kleine landloze boeren zijn, die door de prijsverlaging geen bestaansminimum meer hebben, is een monodisciplinaire benadering onvoldoende.
  3. Realiteit kun je niet met wiskunde en logica vatten. Reactie: ik zeg dat je de realiteit niet alleen met de twee genoemde disciplines kunt vatten. Vooral econometristen laten zich alleen nog door deze twee vakken disciplineren. Dat is niet aanvaardbaar. Er is een gedragstheorie nodig, die aangeeft onder welke voorwaarden ( de zogenaamde restricties) de theorie geldt.
  4. De afschaffing van de dividendbelasting wordt door veel economen juist afgewezen als een instrument dat leidt tot optimale belastingheffing. Reactie: ik stel duidelijk dat economen geen analyse-instrument hebben, die leiden tot een morele afkeuring. In de sociologie zijn analyses, die met de economische geintegreerd kunnen worden, zodat moraliteit wel een positieve rol gaat spelen.
  5. Tal van opmerkingen over het milieu onderschrijf ik. Het is belangrijk te begrijpen dat de milieuproblematiek op zichzelf binnen het neoklassieke paradigma kan worden behandeld; het gaat immers over de relatie tussen mens en natuur. Maar ook hier moeten we weer zien, dat belangrijke beperkingen zijn, waardoor er te weinig oog is voor de economische relevantie van het vraagstuk; deze betreffen ook de mentaliteit en de moraliteit van mensen. In mijn boeken analyseer ik dat uitgebreid. In de onderwijsprogramma’s komt dit niet voor.

Een heel belangrijk punt, dat is weggevallen uit het interview betreft de neiging van mensen tot groepssolidariteit en daarmee samenhangende groepsrivaliteit. Daardoor kon mijn criticus daar helaas niet op reageren.

Aan de inhoud van het tegenartikel kan ik aflezen, dat hij mijn boeken niet heeft gelezen. Daar dit boek de context geeft, waarbinnen mijn stellingen zijn geformuleerd, kan hij de betekenis ervan niet kennen.

Voor studenten is het buitengewoon belangrijk om geconfronteerd te worden met een reeks van alternatieve perspectieven. Concurrentie is belangrijk – als ze ergens in de wereld een baan krijgen worden ze ook met een diversiteit aan analyses geconfronteerd.

Wat nu dreigt, is dat het neoklassieke denken steeds meer gebieden in de wereld veroverd. Echte kolonisatie – doodeng!

Het boek dat gerecenseerd zou worden is:

“Hoe de crisis het economische denken verandert; linkse en rechtse dogma’s ontrafeld, Amsterdam University Press (2017).

Het boek is een eenvoudige, kleinere versie van het boek dat Oxford University Press heeft uitgegeven [geschikt voor economie-studenten en alle geinteresseerden in het economie-debat]

Piet Keizer (2015), Multidisciplinary Economics, A Methodological Account. [geschikt voor gedragswetenschappers, die al een basis hebben.

Piet Keizer – Utrecht – 03-09-2018

 

Posted in Columns, Multidisciplinary Economics | Tagged , , , | Leave a comment

VOER VOOR ECONOMIESTUDENTEN

Voer voor economiestudenten

Komende week begint het nieuwe studiejaar. Vandaag het Het Financieele Dagblad een interview met mij gepubliceerd, waarin ik de studenten waarschuw voor het dogmatische karakter van de studie. Het is een cluster van neoklassieke theorie, waarbij de fundamenten niet expliciet worden gepresenteerd plus een hoeveelheid empirisch onderzoek, waarbij de theoretische onderbouwing onduidelijk blijft. Het vak gaat steeds meer de kant op van een discipline, die menselijk gedrag reduceert tot voorspelbaar en empirisch waar te nemen gedrag. De disciplinering bestaat dan louter uit de strenge toepassing van wiskunde en statistiek, waarbij de officiele statistieken voor onfeilbaar worden gehouden.

In mij boek “Multidisciplinary Economics, a Methodological Account” , uitgegeven door Oxford University Press (2015), heb ik de problematiek voor master-studenten uiteengezet. Voor bachelor-studenten heb ik de problemen behandeld op een eenvoudiger niveau in het boek “Hoe de crisis het economische denken verandert; linkse en rechtse dogma’s ontrafeld”, uitgegeven door Amsterdam University Press. Beide boeken bevatten vele practische voorbeelden, waarin we zien dat de toepassing van de dominante stroming grote problemen schept. Maar als economen alleen maar hebben geleerd 1 kant op te kijken, dan zal een betere oplossing niet worden gevonden. In een appendix vinden jullie een overzicht van de inhoud van beide boeken.

In de vorige tekst, die op deze website is gepubliceerd, heb ik in 4 bladzijden de problematiek nog eens samengevat, met aan het einde een studie-advies.

Veel succes met jullie studie – de wereld heeft goede economen nodig!

Appendix

Posted in Columns, Multidisciplinary Economics | Tagged , , , , , | Leave a comment

Tekstboekeconomie als belangrijke schakel in het neoliberale systeem

Tekstboekeconomie als belangrijke schakel in het neoliberale systeem

Inleiding

Komende week beginnen duizenden eerstejaarsstudenten aan een academische studie economie. Uit ervaring weet ik dat dit een uiterst boeiende discipline is, waarin wordt nagedacht over vraagstukken van groot persoonlijk en maatschappelijk belang.

Terugkijkend op 53 jaar ervaring aan een aantal Economische Faculteiten, inclusief een serie verblijven aan tal van buitenlandse universiteiten, moet ik zeggen dat de Bachelor fase een uiterst teleurstellend programma biedt, die op geen stukken na een goed overzicht biedt van wat er te koop is op dit gebied. In het vervolg zal ik zo kort mogelijk aangeven waar de grote problemen zitten.

Continue reading

Posted in Uncategorized | Tagged , , , , , , | Leave a comment

Is de Griekse crisis voorbij?

Is de Griekse crisis voorbij?

Caroline de Gruyter stelt vast dat de Griekse crisis voorbij is. Ik kom regelmatig in Griekenland, maar dat was me nog niet opgevallen. De begroting mag dan nu even in evenwicht zijn, maar als het even tegenzit, zijn de buitenlandse beleggers en investeerders zo weer vertrokken. Ook gaat ze voorbij aan het feit dat de belangrijkste oorzaak van de enorme stijging van de Griekse schuld is veroorzaakt door het bezuinigingsbeleid in alle leden-landen. Voor Griekenland kwamen de contra-productieve extra bezuinigingen, afgedongen door de Trojka, daar nog eens overheen. Ze bepleit meer centrale euro-instituties. Maar zouden de Duitse en Nederlandse politici werkelijk accoord gaan met de invoering van een centraal noodfonds die euro-obligaties kan invoeren en schulden kunnen kwijtschelden? Ik denk dat daarvoor het noodzakelijke zelf-inzicht ontbreekt. Ze hebben ernstige fouten gemaakt en er is nog geen begin van verbetering. Dit is niet de tijd om grotere politieke eenheden te vormen, die ondoordacht beleid gaan afdwingen. Zelf-reflectie en serieus overleg tussen autonome leden-landen werpt op den duur meer vruchten af.

Piet Keizer, professor of economic methodology, Utrecht University School of Economics.

Posted in Columns, Multidisciplinary Economics | Tagged , , , | Leave a comment

Barmhartigheid of besef van eigen schuld?

Barmhartigheid of besef van eigen schuld?

Afgelopen maandag werd in een hoofdredactioneel commentaar in Trouw gepleit voor kwijtschelding van Griekse schulden. “We zien dat de Grieken echt aan verbetering hebben gewerkt. Daar er nog veel leed is, moeten we de Grieken helpen hun ernstigste noden te verlichten”.

Deze houding geeft aan dat de economische analyse van Trouw volstrekt onrealistisch is. Nederland heeft de afgelopen 10 jaren Duitsland trouw gevolgd in een desastreus economisch beleid. De bezuinigingen in de eurozone werkten contra-productief voor alle landen. Voor Griekenland waren de extra bezuinigingen en loonsverlagingen de belangrijkste bron van de stijging van hun schuldquote! Nu de Griekse overheid zoveel taken heeft laten vallen dat haar uitgaven niet meer hoger zijn dan haar inkomsten, zeggen we dat de Grieken zich verbeterd hebben.

Continue reading

Posted in Artikelen, Multidisciplinary Economics | Tagged , , , , , | Leave a comment

Behavioural Economics about Irrationality

Behavioural economics about irrationality

Introduction

The rise of behavioural economics persists. The phenomenon of nudging is increasingly recognised and applied. In the Netherlands the recently adopted Donor Law is an example: those who do not fill in a form, is considered to be a donor of organs. Those who don’t want to be a donor, must take action to prevent it. People are seen as comfort-seekers, but are doing it quite thoughtless. Behavioural cognitive psychologists consider these properties as difficult to change. By designing smart context structures, easy-going people are seduced to behave well, without any moral or legal rule. Great, isn’t it? However, not every ‘nudge’ is so innocent as it seems at first sight. A closer look is necessary.

Continue reading

Posted in Artikelen, Multidisciplinary Economics | Tagged , , , , , , , , , , , | Leave a comment

De irrationaliteit van de gedragseconomie

Gedragseconomie over irrationaliteit

Inleiding

De opmars van de gedragseconomie houdt aan. Het fenomeen ‘nudge’ wordt herkend en steeds meer toegepast. In ons land is de Donorwet een recent voorbeeld: wie geen formulier invult, wordt beschouwd als donor. Wie dat niet wil, moet moeite doen om dat kenbaar te maken. Mensen worden gezien als gemakzuchtige comfortzoekers, die dat op een onnadenkende manier doen. De ‘nudge’-psychologen gaan er vanuit dat deze twee eigenschappen moeilijk te veranderen zijn. Door het ontwerpen van slimme omgevingsstructuren zijn mensen te verleiden zich ‘verantwoord’ te gedragen. Sturende instanties hoeven dan het donorschap niet te verplichten, en mensen hoeven elkaar niet met morele oordelen in een bepaalde richting te sturen. Fantastisch toch? Toch is niet elk voorbeeld van ‘nudgen’ onschuldig, waaronder de genoemde donorwet. Een nader theoretisch onderzoek is gewenst.

Geschiedenis

Simon (1957) wordt gezien als de grondlegger. Hij keerde zich tegen de orthodoxe en neoklassieke economie, die volledige rationaliteit veronderstellen. Simon maakte geen helder onderscheid tussen volledige rationaliteit en volledige informatie. Hij stelde vast dat de menselijke geheugencapaciteit schaars is – een zeer orthodox-economische gedachte – , en concludeerde dat the rationaliteit van mensen alleen geldig is onder de restrictie van de aanwezige informatie. Hij noemde dit fenomeen begrensde rationaliteit (‘bounded rationality’). De neoklassieken wisten hier wel raad mee. Mensen maken schattingen van wat er in het verleden is gebeurd, en van wat we in de toekomst kunnen verwachten. De ene keer wordt iets overschat, de volgende keer iets onderschat. Rationele mensen hebben rationele verwachtingen. Ze gaan er van uit dat alle mensen rationeel zijn, en met elkaar een stabiel systeem vormen. Dit betekent dat ze allemaal hun gedrag afstemmen op de door iedereen verwachte trends. Iedereen zit er voortdurend een beetje naast; dat is het risico. Maar dat risico is te berekenen. Daar hebben we kwantitatieve economen voor. Probleem opgelost!

Beleidseconomen komen echter vaak in aanraking met experts uit andere disciplines. Deze accepteren de neoklassieke verdediging vaak niet. Ze praten over gedragsproblemen, zoals te weinig sparen, teveel lenen, te weinig aandacht voor scholing, een hoge consumptie van alcohol en cocaine, ook op het werk. De waarheid wordt voortdurend omzeilt, en velen zijn corrupt en plegen fraude, terwijl anderen dat onbesproken laten.

Experimenteel ingestelde economen zijn gaan samenwerken met behaviouristische en cognitieve psychologen, en met neuro-wetenschappers. Ariely (2009, 2012) en anderen hebben ontdekt dat veel mensen een latte van vier euro kopen, terwijl het niet meer is dan een beetje melk en een paar druppels koffie. Er zijn nogal wat vrouwen die gelijk loon voor gelijke prestatie eisen, als ze ontdekken dat mannen meer verdienen. Personen die een bioscoopkaartje hebben verloren, kopen niet een nieuwe, maar gaan teleurgesteld naar huis; allemaal heel irrationeel natuurlijk. Vele mensen blijken de intelligentie niet te hebben om rationeel te handelen, en zien bijvoorbeeld niet dat marginale kosten niet gelijk zijn aan gemiddelde kosten. In ander onderzoek blijkt irrationaliteit betrekking te hebben op een gebrek aan zelfbeheersing (Sen, 2010). Kortom, een bonte verzameling en het begrip irrationaliteit als containerbegrip. Tijd voor een kritische beschouwing van de theorie.

Moderne gedragseconomie

Behaviouristische psychologen zien de menselijke geest als een ‘black box’. We kunnen alleen impulsen en responsen waarnemen. Als de responsen een systematische reactie op de impulsen laten zien, dan hebben zij gedrag ‘verklaard’. Introspectie – het waarnemen van de eigen gevoelens en gedachten – levert geen betrouwbare informatie op; empirische waarneming daarentegen wel. Cognitieve psychologen hebben een model gemaakt van de wijze waarop rationele proefpersonen informatie opslaan, en zo nodig weer oproepen als dat nodig is. Uit experimenten blijkt vervolgens dat personen systematisch afwijken van dit referentie-model; ergo, mensen zijn irrationeel.

De laatste decennia hebben ze steeds meer hulp gekregen van neurowetenschappers, dat zijn breindeskundigen. Hun onderzoek heeft interessante resultaten opgeleverd. Kahneman (2011) onderscheidt twee systemen in het brein. Het eerste zorgt voor een snelle verwerking van informatie, die past bij al opgeslagen informatie, waarbij weinig energie wordt gebruikt. Het tweede systeem zorgt voor de verwerking van vooral onbekende informatie, waarbij energievretende overwegingen worden gemaakt: waar gaat dit eigenlijk over? opslaan? En zo ja, waar? Het tweede systeem heeft dus een contrôlerende functie, en irrationaliteit wil zeggen, dat deze functie niet goed werkt. Teveel prikkels worden doorgelaten, die leiden tot irrationeel gedrag. Andere resultaten zijn onder meer:

  1. Informatie wordt gegroepeerd, en per groep opgeslagen dan wel afgekeurd. Een liberaal, die ontdekt dat een bepaalde spreker een socialist is, zal vanaf dat moment hele stukken van het verhaal niet meer horen: “dat is tig keer niks”
  2. Voorkeuren zijn context-gebonden. Neoklassieke economen, die een evolutionair-economisch georiënteerd congres bezoeken, zullen vaak meegaan in stellingen, die ze, terug in de eigen groep, verwerpen.
  3. Wat bekend is, wordt als veilig beschouwd, maar mensen uit een totaal verschillende cultuur roepen een alert-signaal op: pas op! Discriminatie ligt als het ware in onze hersenen opgeslagen; we hebben daar geen contrôle over.

Veel psychologen hebben zich afgekeerd van hun ‘core business’: analyse van het psychische mechanisme. De gedragseconomie heeft deze reductie overgenomen. Waar de neoklassieke economie werkt met een onrealistische homo oeconomicus, werkt de gedragseconomie zonder mensbeeld. Er blijft slechts een machine over, waarvan het gedrag het resultaat is van fysisch-chemische reacties in het lichaam, waaronder de hersenen. We kunnen ons wel verbeelden dat er een geest is, maar dat is louter bewustzijn, welke gedetermineerd is door materiële processen. We kunnen wel ervaren dat we beslissingen nemen, maar dat is een illusie. Wij kunnen slechts de woordvoerder van de materie zijn. In de volgende sectie gaan we dit materiële beeld confronteren met een minder reductionistische voorstelling van zaken.

De onhoudbaarheid van het empiricisme

Vele moderne wetenschappers ontkennen het belang van metafysische fenomenen, zoals de menselijke geest als reservoir van gevoelens en gedachten. Emoties zijn impopulair; daar kun je als wetenschapper niets mee. De op menselijke ervaring berustende logica, en de daarop gebaseerde wiskunde en stochastiek worden ondanks hun metafysische karakter wel geaccepteerd. De menselijke ervaring van schaarste en daaruit voortvloeiende economische motivatie dan weer niet. De ervaring van sociale rivaliteit tussen groepen en solidariteit binnen groepen wordt ook ontkend. Het daaruit afgeleide mechanisme van de zondebok, waardoor onschuldige mensen worden geofferd om de eenheid van de groep te herstellen, blijft daardoor ook buiten het gezichtsveld (Girard, 2010, Keizer, 2015, 2017, Brandsma, 2018)). Het meest storende van dit reductieproces is dat zelfs de ervaring die leidt tot een definiëring en verklaring van de irrationaliteit geen rol mag spelen. In de volgende sectie bespreken we een psychische analyse, die mogelijkerwijs een theoretisch fundament biedt voor het onderzoek naar irrationaliteit.

Een proeve van orthodoxe psychologie

Stel een persoon is rijk en ondervindt veel sociale erkenning. Desondanks kan hij typisch-psychische problemen ervaren. Deze kunnen alleen begrepen worden aan de hand van een analyse van de geest. Dit fenomeen kan worden voorgesteld als een systeem met drie elementen (Keizer, 2015, 2017). In de eerste plaats hebben we een ‘ik’, dat is de besluitvormer. Ten tweede is er de actuele zelf, dat is de doener (systeem 1 bij Kahneman). In de derde plaats hebben we de eigenlijke zelf, oftewel het geweten van de persoon, die de ‘ik’ steeds zijn lange-termijn strategie voorhoudt. De ‘ik’ bouwt in de loop der jaren een intuïtie op, beschikt over een ratio, die de inkomende informatie logisch structureert, en over wilskracht, welke functioneert als een energiebron, die door de ‘ik’ kan worden gebruikt om de actuele zelf te corrigeren. Dit geestelijke systeem ontvangt voortdurend informatie. Past de informatie bij de reeds opslagen kennis, dan wordt het snel verwerkt. Indien de informatie daarmee strijdig is, wordt het door de ratio onderzocht en al dan niet aanvaard door de eigenlijke zelf. Sommige informatie is zo bedreigend voor het zelfrespect van de persoon, dat deze niet wordt verwerkt. Deze negatie is dan het irrationele element in het mentale proces.

Een persoon kan lijden aan een gebrek aan zelfrespect, omdat hij zo nu en dan ervaart dat hij steeds weer korte-termijn comfort de voorkeur geeft aan een lange-termijn strategie, waarin hij zijn talenten ontwikkelt, en daarmee een bijdrage levert aan de opbouw van de maatschappij. Als onze persoon wel voldoende zelfrespect bezit, heeft hij de neiging om dit respect te beschermen. Bij grote tegenvallers waren het anderen of de omstandigheden, die daarvoor verantwoordelijk zijn –onze persoon heeft niet gefaald. Deze drang tot bescherming van de kwetsbare zelf is de bron van irrationeel gedrag. Een hoogleraar, die ontdekt dat zijn onderzoeksprogramma grote feilen vertoont – dat ontdekt hij niet; dat is helemaal niet waar. Als een collega dat toch helder aantoont, moet deze persoon ontslagen worden. Via roddel en achterklap weet hij de criticus uit de groep te stoten (het sociale zondebokmechanisme). Het mechanisme van de irrationaliteit leidt tot de ontkenning van ongemakkelijke waarheden. Mensen steken als ware struisvogels hun hoofd in het zand. Dit mechanisme noemen we dan ook het struisvogelmechanisme.

Naar een nieuwe gedragseconomie (“New Behavioural Economics”)

Willen we het menselijk gedrag verklaren, dan moeten we een onderscheid maken tussen mensen en niet-mensen. Nu zijn er drie primaire relaties analytisch te onderscheiden: de relatie tussen mens en niet-mens (economie), de relatie tussen mens en mens (sociologie) en de relatie tussen de mens en zichzelf (psychologie). Alle drie de relaties leveren spanningen op, die de mens in beweging zetten, oftewel motiveren. Menselijk gedrag wordt dus door drie aspecten bepaald, en de daarbij behorende mechanismen treden altijd en overal simultaan op. De weging van het belang van elk van de drie aspecten daarentegen verschilt naar tijd en plaats (Keizer, 2015, 2017).

De orthodoxe analyse van de drie aspecten leveren een zuivere beschrijving op van de drie mechanismen: markt (economisch aspect), arena (sociaal aspect) en geest (psychisch aspect), genoemd naar de locaties waar de spanningen plaatsvinden. Het marktmechanisme zorgt door middel van prijsaanpassingen dat balansverstoringen ongedaan worden gemaakt. Het arena-mechanisme zorgt ervoor dat groepen door middel van het zondebokmechanisme zijn status kan herstellen. Het struisvogelmechanisme zorgt ervoor dat de waarheid voldoende geweld wordt aangedaan, dat het zelfrespect van de persoon op peil blijft.

De heterodoxe analyse van economie, maatschappij en personen heeft fundamentele kritiek op de orthodoxie. Deze blijkt de realiteit te beschouwen als een gesloten systeem. Openen we het orthodoxe systeem – waardoor het transformeert in een heterodox systeem – dan zien we dat individuen zowel als groepen opereren onder de veronderstelling van fundamentele onzekerheid. In de Originele Institutionele Economie zien we dat dit leidt tot de vorming van instituties, die een weerspiegeling vormen van de historische ervaringen van een groep. We zien nu dat experimenten zoals in de huidige gedragseconomie worden gedaan, vastlopen, omdat de onderzoekers de mensen die als proefpersoon fungeren, niet kennen. Ze worden niet gevraagd om een argumentatie te geven bij hun keuze. Er spelen altijd economische, sociale en psychische motieven een rol.

Mensen hebben in de loop der tijd instituties ontwikkeld, die hun omgeving stabieler en voorspelbaarder maken. Er hebben opmerkelijke gebeurtenissen plaats gevonden, waardoor mensen in bepaalde zaken heel voorzichtig zijn geworden. De institutionele economie heeft hier veel aandacht aan besteed. In een experiment met Californische proefpersonen moeten ze kiezen tussen twee verzekeringsmaatschappijen, een Californische en een Amerikaanse. Het blijkt dat velen kiezen voor de Californische, ook al is deze duurder. Ariely noemt dit irrationeel. Maar misschien vinden de proefpersonen de Californische maatschappij wel betrouwbaarder. Bovendien kunnen ze met de auto naar het hoofdkantoor rijden om beklag te doen in geval van grote problemen. Ariely ziet over het hoofd dat overal bepaalde economische instituties ontwikkeld zijn om de daar geldende transactiekosten, waaronder informatiekosten te beperken.

Alternatief onderzoekspad

Irrationaliteit is een kenmerk van de relatie die een persoon met zichzelf heeft. Deze kan niet empirisch worden waargenomen. Maar als we in staat zijn om een realistische reeks van verklaringen van gedrag te formuleren, kunnen we vragen formuleren, waaruit aanwijzingen kunnen worden afgeleid, die op irrationaliteit duiden. Een goed voorbeeld is Kets de Vries (2006), die vele ‘chief executive officers’ langdurig heeft ondervraagd over hun diepste drijfveren en overwegingen bij het nemen van belangrijke beslissingen. Een diagnose van irrationaliteit vergt deskundigheid, die kan worden opgedaan indien men veelvuldig aan neuro-linguistische programmering of aan systematische en multidimensionele ‘mindfulness’ doet. Economen kunnen hun gevoeligheid voor bepaalde begrippen ontdekken. Sommige woorden roepen bij een bepaald persoon sterk positieve reacties op – vrije markt, concurrentie, optimaliteit, allocatie, kapitalisme, econometrie. Andere begrippen daarentegen roepen een bepaalde mate van afkeer op – inflatie, socialisme, ongelijkheid, socialisme, methodologie. Duitse monetaire economen gaven tijdens de crisis toe dat ze traumatische gevoelens hebben bij de woorden geldschepping en inflatie. In de media zijn artikelen met ‘foute’ woorden een goede reden om deze niet te plaatsen. In de economisch-wetenschappelijke wereld is dat ook zeer gebruikelijk. Een macro-econoom, die het begrip ‘effectieve vraag’ hanteert, heeft zich onmogelijk gemaakt in neoklassieke kringen.

Deze gevoeligheid en de daarbij horende discriminatie is de essentie van het fenomeen irrationaliteit. Hoe sterker de wederzijdse afwijzing – alleen al in taalgebruik – hoe problematischer het wordt om kritische debatten te voeren aan de universiteit, en in de kantoren van belangrijke organisaties, inclusief de overheidsdepartmenten. Er is op dit punt veel belangrijk werk te doen onder de titel Nieuwe Gedragseconomie, oftewel “New Behavioural Economics”; dit in onderscheid van de huidige gedragseconomie, die zo onder materiele en empiricistische reductie heeft te leiden.

Literatuur

Ariely, D. (2009), Predictably Irrational, second edition, New York: Harper Collins Publishers.

Ariely D. (2012), The (Honest) Truth about Dishonesty, New York: Harper Collins Publishers.

Ariely, D. J.Kreisler (2017), Dollars and Sense, Dollars and Sense Magazine.

Bauman, Z. (1990), Thinking Sociologically, Oxford: Blackwell Publishers.

Brandsma, Bart (2018), Polarisation, Understanding the dynamics of Us versus Them, BB in Media.

Girard, R. (2010), Things Hidden Since the Formation of the World, Stanford: Stanford University Press.

Kahneman, D. (2011), Thinking Fast and Slow, London: Penguin Books.

Keizer, P. (2015), Multidisciplinary Economics, A Methodological Account, Oxford: Oxford University Press.

Keizer, P. (2017), Hoe de crisis het economische denken verandert, linkse en rechtse dogma’s ontrafeld, Amsterdam: Amsterdam University Press.

Kets de Vries, W. (2006), The Leader on the Couch: A Clinical Approach to Changing People and Organizations, Chicester: John
Wiley & Sons.

Sen, A., (2002), Rationality and Freedom, The Belknap Press of the Harvard
University Press.

Simon, H. (1957), Theories of Decision-Making in Economics and Behavioral Science, American Economic Reviw, 49, 252-283.

.

 

 

Piet Keizer, 08-05-2018

Posted in Artikelen, Multidisciplinary Economics | Tagged , , , , , , , , , | Leave a comment

De Irrationaliteit van de gedragseconomie

Irrationaliteit van de gedragseconomie

Piet Keizer

Associate Professor of Economic Methodology, Utrecht University School of economics – 03/05/2018

Inleiding

De opmars van de gedragseconomie houdt aan. Het fenomeen ‘nudge’ wordt herkend en steeds meer toegepast. In ons land is de Donorwet een recent voorbeeld: wie geen formulier invult, wordt beschouwd als donor. Wie dat niet wil, moet moeite doen om dat kenbaar te maken. Mensen worden gezien als gemakzuchtige comfortzoekers, die dit op een onnadenkende manier doen. De nudge-psychologen gaan er vanuit dat deze twee eigenschappen moeilijk te veranderen zijn. Hoe zijn mensen dan te verleiden het goede te doen? Door het ontwerpen van slimme omgevingsstructuren. Sturende instanties hoeven zo het donorschap niet verplichten, en mensen hoeven elkaar niet met morele oordelen in een bepaalde richting te sturen. Fantastisch toch? Toch is niet elk voorbeeld van ‘nudgen’ onschuldig, waaronder de genoemde donorwet. Het ontwerp van kantoortuinen – ‘dat bevordert de communicatie tussen medewerkers’ – kan erg irriteren en de arbeidsproductiviteit negatief beïnvloeden. De afwezigheid van een goede analyse van het fenomeen irrationaliteit maakt het belangrijk om na te gaan op welke vooronderstellingen de huidige gedragseconomie berust.

Geschiedenis

Simon (1957) wordt gezien als de grondlegger. Hij keerde zich tegen de orthodoxe en neoklassieke economie, die volledige rationaliteit veronderstelden. Simon maakte geen helder onderscheid tussen volledige rationaliteit en volledige informatie. Hij stelde vast dat de menselijke geheugencapaciteit schaars is – een zeer orthodox-economische gedachte – , en concludeerde dat the rationaliteit van mensen alleen geldig is onder de restrictie van de aanwezige informatie. Hij noemde dit fenomeen begrensde rationaliteit (‘bounded rationality’). De neoklassieken wisten hier wel raad mee. Mensen maken schattingen van wat er in het verleden is gebeurd, en van wat we in de toekomst kunnen verwachten. De ene keer wordt iets overschat, de volgende keer iets onderschat. Rationele mensen hebben rationele verwachtingen. Ze gaan er van uit dat alle mensen rationeel zijn, en met elkaar een stabiel systeem vormen. Dit betekent dat ze allemaal hun gedrag afstemmen op de door iedereen verwachte trends. Iedereen zit er voortdurend een beetje naast; dat is het risico. Maar dat risico is te berekenen. Daar hebben we kwantitatieve economen voor. Probleem opgelost!

Economen als Keynes (1936) en Minsky (1982) werden niet in het curriculum opgenomen; dat waren geen echte economen. Alleen in sommige keuzevakken werd aandacht besteed aan fenomenen zoals overmoed (‘hybris’) en bijziendheid (‘myopiness’); echt iets voor hobbyisten. In beleidskringen ontmoetten economen toch regelmatig experts van andere disciplines, en dat blijkt altijd weer vruchtbaar. Het resultaat was een lange lijst van ‘gedragsproblemen’, die moeilijk als rationeel konden worden geïnterpreteerd. Mensen sparen weinig en lenen zoveel van een bank. Werknemers investeren weinig in zichzelf, en als ze werkloos worden , raken ze in de problemen. Mensen drinken veel alcohol, en in kringen van het topmanagement is het snuiven van cocaine populair. Mensen liegen veel en draaien hun hand niet om voor corruptie en fraude. De orthodoxe en neoklassieke theorie – die niet alleen irrationaliteit, maar ook iedere notie van socialiteit, en daarmee samenhangende moraliteit ontkend – , heeft zich gericht op de ontwikkeling van economische instituties, die opportunistisch gedrag kanaliseert en beperkt. Garanties en reputatiescores zijn hier bekende voorbeelden van.

Behaviouristische en cognitieve psychologen zijn steeds meer gaan samenwerken met empirisch ingestelde economen (Kahneman, Ariely). De proefpersonen zijn natuurlijk geen hominem oeconomici, en hebben meerdere motivaties om iets te willen. Daarom is het niet mogelijk om door middel van experimenten vast te stellen, wie rationeel en wie irrationeel handelt. Iemand die voor 4 euro een latte koopt, een vrouw die voorstander is van het principe van gelijke beloning voor gelijke productiviteit, een persoon die zijn vooral gekochte bioscoopkaartje kwijt raakt, en dan niet even gauw een nieuwe koopt – een onafzienbare rij experimenten, waarbij niet duidelijk is wat de onderzoekers eigenlijk verstaan onder het begrip rationaliteit. Soms gaat het om mensen, die laag scoren op een cognitieve IQ-test (Teulings, 2017), dan weer om mensen die geen economie hebben gestudeerd en even over het hoofd zien dat marginale kosten niet hetzelfde zijn als gemiddelde kosten (Frank, Bernanke, 2010). Een derde groep refereert irrationaliteit naar een gebrek aan zelfbeheersing (Sen (2012), Keizer, 2015).

Moderne gedragseconomie

Behaviouristische psychologen zien de menselijke geest als een ‘black box’. We kunnen alleen impulsen en responsen waarnemen. Als de responsen een systematische reactie op de impulsen laten zien, dan hebben zij gedrag ‘verklaard’. Introspectie levert geen betrouwbare informatie op; empirische waarneming daarentegen wel. Cognitieve psychologen hebben een model gemaakt van de wijze waarop rationele proefpersonen informatie opslaan, en weer tevoorschijn halen, indien de situatie daar om vraagt. Uit experimenten blijkt vervolgens dat personen systematisch afwijken van dit referentie-model; ergo, mensen zijn irrationeel.

Beide stromingen werken veel samen. De laatste decennia hebben ze steeds meer hulp gekregen van neuro-psychologen, dat zijn breindeskundigen (Camerer, Kahneman, Loewenstein, Prelec, 2003). De drie groepen tezamen opereren tegenwoordig onder de vlag van de ‘positieve psychologie’, een veelzeggend label. Breinonderzoek heeft interessante resultaten opgeleverd. Kahneman onderscheidt twee systemen in het brein. Het eerste zorgt voor een snelle verwerking van informatie, die past bij al opgeslagen informatie, waarbij weinig energie wordt gebruikt. Het tweede systeem zorgt voor de verwerking van vooral onbekende informatie, waarbij energievretende overwegingen worden gemaakt: opslaan? En zo ja, waar?. Het tweede systeem heeft dus een controlerende functie, en irrationaliteit wil zeggen, dat deze functie niet goed werkt. Teveel prikkels worden doorgelaten, en leiden tot gedrag, die eigenlijk voorkomen had moeten worden. Resultaten van breinonderzoek zijn onder andere:

  1. Nieuwe informatie gaat naar systeem 2 om nader onderzocht te worden. Indien het niet consistent is met reeds opgeslagen kennis, dreigt het niet opgeslagen te worden. Informatie wordt gegroepeerd, en hele verzamelingen informatie worden opgeslagen dan wel afgekeurd. Een liberaal, die ontdekt dat een bepaalde spreker een socialist is, zal vanaf dat moment hele stukken van het verhaal niet meer kritisch benaderen, maar gewoon niet horen: “dat is tig keer niks”
  2. Voorkeuren zijn context-gebonden. Een persoon die thuis nooit een latte drinkt, kan in een bepaald café deze drank bij voorkeur bestellen. Een belangrijker voorbeeld betreft economen, die op een neoklassiek georienteerd congres de neiging vertonen om stellingen aan te hangen, die ze in andere omgevingen zullen verwerpen.
  3. Wat bekend is, wordt als veilig beschouwd, maar mensen uit een totaal verschillende cultuur roepen een alert-signaal op: pas op!
  4. Mensen ervaren risico als iets anders dan onzekerheid. Risico is een cognitief, en onzekerheid is een affectief verschijnsel. Ze zetten verschillende hersengebieden in werking
  5. Mensen blijken bijziend te zijn. Informatie die betrekking heeft op de lange termijn wordt nauwelijks doordacht en zeker niet opgeslagen: “dat zien we dan wel weer”.

Hersenen- en geestelijke processen, vormen twee aspecten van eenzelfde fenomeen. Ze kunnen analytisch worden onderscheiden, maar empirisch niet gescheiden. De twee zijn wel onderhevig aan verschillende mechanismen, hetgeen aspect-analyse belangrijk maakt. Een persoon die geheel in balans is, heeft de werking van beide mechanismen op elkaar af weten te stemmen.

Positieve psychologen hebben zich afgekeerd van de ‘core business’ van de psychologie: analyse van de logica van de psyche. De gedragseconomie heeft deze reductie overgenomen. Waar de neoklassieke economie werkt met een onrealistische homo oeconomicus, werkt de gedragseconomie zonder mensbeeld. Er blijft slechts een machine over, waarvan het gedrag het resultaat is van de werking van fysisch-chemische reacties in het lichaam, waaronder de hersenen. We kunnen ons wel verbeelden dat er een geest is, maar dat is louter bewustzijn, welke gedetermineerd worden door materiële processen. We kunnen wel ervaren dat we beslissingen nemen, maar dat is een illusie. Wij kunnen slechts de woordvoerder van de materie zijn. In de volgende sectie gaan we dit materiële beeld confronteren met een minder reductionistische voorstelling van zaken.

De ontologie van de gedragseconomie

Ontologie gaat over de axioma’s, waar elke kennisstructuur op gebaseerd is. Deze vooronderstellingen leggen de aard van een mens en zijn situatie vast. Het geeft de richting aan, waarin het onderzoek zich beweegt.

Zoals gezegd, hebben behaviouristische psychologen de realiteit gereduceerd tot materie, waardoor ze alleen maar een brein zien, geen geest. Introspectie – gevoelens en gedachten in de eigen geest bestuderen – doet niet mee als betrouwbare bron van kennis. Het enige dat telt, is een prikkel van buiten en de gedragsreactie die erop volgt. Als een kind een koekje pakt en vlak daarna krijgt ze een tik, dan zal het snel leren geen koekje te pakken. Zo raken mensen geconditioneerd: materiele omstandigheden maken de mens. Cognitieve psychologen geven personen informatie, en kijken dan wat er daarna gereproduceerd wordt. Irrationaliteit wordt dan gedefinieerd als het systematisch maken van cognitieve fouten. Mensen met een laag IQ maken zijn irrationeler dan mensen met een hoog IQ. Onderwijs helpt een bevolking rationeler te worden. De ‘nudge’-beweging accepteert dat mensen gericht zijn op een comfortabel leven, waarin overheid en moralisten niet teveel hinder veroorzaken. Ze trachten de omgeving zo te ontwerpen, dat gemakkelijke oplossingen samengaan met goede oplossingen. Het betekent wel dat mensen niet voor het goede kiezen, maar door sturende instanties naar het goede leven worden gelokt. Het is een kleine bijdrage voor de korte termijn. Een fundamentele oplossing voor het probleem van de irrationaliteit is het natuurlijk niet. Eigenlijk wordt er steeds om de hete brij heengelopen. Het zijn altijd de omstandigheden, nooit de persoon zelf, die de bron van problemen is[1]. De ‘ik’ van een persoon, die in het dagelijks leven geacht wordt verantwoordelijk te zijn voor zijn daden, is er niet. De gedragseconomie kijkt louter naar allerlei materiële onderdelen, waar niemand voor verantwoordelijk is. Met andere woorden, mensen zijn machines waar experts aan sleutelen – dat doen die mensen zelf niet; er is helemaal geen zelf.

De ontologie van de orthodoxe economie

In de tweede helft van de 19e eeuw begonnen een aantal economen een analyse te maken van het economische aspect van menselijk gedrag. Ze noemden dat het economische handelen. Hierbij wordt dus geabstraheerd van belangrijke andere aspecten, waardoor het economische handelen niet empirisch kan worden waargenomen. Mill, Menger, Walras, en later Pareto beschouwden schaarste van bestaansmiddelen als het typisch-economische probleem. Uiteraard hebben mensen meer dan economische problemen, maar daar dienen sociologen en psychologen zich over te buigen. Als wij de economische logica ontwikkelen, dan kunnen zij de sociale en psychische logica voor hun rekening nemen. Daarna moeten we bij elkaar gaan zitten, en gezamenlijk een logica van het menselijk handelen ontwikkelen. Als we daarna onze analyse plaatsen in een context van onzekerheid en daaruit ontstane instituties, die door de tijd heen zijn ontwikkeld, hebben we een realistisch mensbeeld in zijn historische context geplaatst. Dan is de tijd aangebroken om te zien of we een empirische wereld kunnen construeren, die congruent is met de theoretische wereld. Pareto heeft daarna nog een sociale logica ontwikkeld, en later hebben de ‘rationele keuze’- sociologen gewerkt aan een homo sociologicus. Maar dat was het dan ook. Al heel snel gingen de meeste economen het orthodox-economische bouwwerk zien als een geschikte theoretische fundering voor hun empirisch onderzoek – een analytische fout zonder weerga. De economen, die dit op hun geweten hebben, noemen we neoklassiek. Ze zijn van mening dat een vrije markteconomie een competitieve economie is. Mochten mensen andere dan economische motieven hebben, dan zullen ze de concurrentieslag verliezen, en failliet gaan. De overheid wordt impliciet beschouwd als een verzameling goedwillende ambtenaren, die louter het algemeen belang nastreven. Dat belang behoort dan te zijn dat particulier eigendom wordt beschermd tegen diefstal of vernietiging door andere mensen. Deze markteconomie werkt als een stabiel systeem, en behoeft daarom geen verdere ondersteuning. Al deze axioma’s en verdere veronderstellingen bleken dermate onrealistisch, dat er tegenwoordig weinig aandacht meer aan wordt besteed in het onderwijs. Maar de theoretische resultaten hebben wel de ‘frames’ in de hoofden van bijna alle mensen gevormd. Aan de universiteiten wordt deze fundamentloze economie gedoceerd, en econometristen voelen zich er niet meer door gedisciplineerd, Ze hebben de monodisciplinering van de neoklassieke economie vervangen door een zero-discipline. Hun denken wordt louter nog gestructureerd door de wetten van de wiskunde en daar van afgeleide statistische theorie. De wijze waarop de eurozone de crisis van de laatste tien jaar te lijf is gegaan, illustreert hoezeer de onrealistische axioma’s in de geesten en breinen van de economen is opgeslagen. Doordat ze nooit meer precies worden geformuleerd, liggen ze daar zonder ooit uitgedaagd te worden.

Om ze uit te dagen en te zien hoe ze realistischer kunnen worden gemaakt, zullen we ze nu expliciet formuleren. Dan kunnen gedragseconomen beter begrijpen waarom ze systematische fouten maken bij het interpreteren van de resultaten van hun experimenten.

De zogeheten economische wereld wordt bewoond door hominem oeconomici. De homo oeconomicus wordt beschouwd als een economische actor, die zo rijk mogelijk wil worden met een minimum aan schaarse middelen. Hij is rationeel, hetgeen wil zeggen dat hij zijn eigen voorkeuren goed kent, en redelijk op de hoogte is van de mogelijkheden op markten om zijn behoeften te bevredigen. Hij kent de overige hominem oeconomici wel, maar gaat daar geen sociale relaties mee aan; alleen economische. Dat wil zeggen dat zijn voorkeuren niet veranderen door de omgang met anderen, en dat de banden worden verbroken zodra een kosten-batenanalyse uitwijst, dat de relatie niet meer voordelig is. Deze veronderstelling wordt aangeduid met de term ‘atomisme’: mensen zijn atomen, die in aanraking met andere atomen, geen moleculen met elkaar vormen, die nieuwe eigenschappen blijken te hebben.

Gedragseconomen denken nu dat deze homo oeconomicus vaak niet zo rationeel is, omdat hij systematisch cognitieve fouten maakt. Hij is slecht geinformeerd en niet zo intelligent, waardoor hij fouten blijft maken op een systematische wijze. Er zijn ook gedragseconomen die het begrip rationaliteit gebruiken op een manier die overeenkomt met de betekenis van het woord in de filosofie en in de psychische analyse. Daar heeft het betrekking op het fenomeen zelfbeheersing. In termen van Kahneman betekent irrationaliteit dat systeem 2 onvolledige controle heeft over het doen en laten van systeem 1. Hier wordt echter geen psychologische analyse ontwikkelt op basis van een helder geformuleerd paradigma. De gebruikte taal is verbonden aan breinonderzoek, niet aan een analyse van het functioneren van de psyche; iets wat we kunnen verwachten van een psycholoog. We zitten nu middenin de populaire discussie over ‘pillen of praten’. Het juiste antwoord is natuurlijk beide. Maar voor deze strategie is het heel belangrijk om een verklarende analyse te hebben van zowel fysiologische als mentale processen in hun onderlinge samenhang.

Om de systematische fouten van de experimentele gedragseconomen te begrijpen, moeten we proberen de analytische leemte kunnen opvullen.

De ontologie van de orthodoxe psychologie

Stel een persoon is rijk en geliefd bij familie, vrienden en collega’s. Kan hij desondanks toch nog in een depressie belanden? Ja, dat kan. Er zijn naast problemen van armoede en sociale erkenning, ook nog typisch-psychische problemen. Deze kunnen alleen begrepen worden aan de hand van een analyse van de geest. Stel de geest is een systeem met drie elementen (Keizer, 2015). In de eerste plaats hebben we de ‘ik’, de besluitvormer. Ten tweede is er de actuele zelf, de doener. In de derde plaats hebben we de eigenlijke zelf, oftewel het geweten van de persoon, die de ‘ik’ steeds zijn lange-termijn strategie voorhoudt. De ‘ik’ bouwt een intuïtie op in de loop van zijn jaren, en beschikt over een ratio, die de inkomende informatie logisch structureert, en over wilskracht, welke functioneert als een energiebron, die door de ‘ik’ kan worden gebruikt om de actuele zelf, dat is de doener, te corrigeren. Dit systeem ontvangt voortdurend informatie. Past de informatie bij de reeds opslagen kennis, dan wordt het snel verwerkt. Indien de informatie daarmee strijdig is, wordt het door de ratio onderzocht en al dan niet aanvaard. Sommige informatie is zo bedreigend voor het zelfrespect van de persoon, dat deze niet wordt verwerkt. Deze negatie is dan het irrationele element in het mentale proces.

Een persoon kan lijden aan een gebrek aan zelfrespect, omdat hij heeft ontdekt dat hij steeds weer korte-termijn comfort de voorkeur geeft aan een lange-termijn strategie, waarin hij zijn talenten ontwikkelt, en daarmee een bijdrage levert aan de opbouw van de maatschappij. Als onze persoon wel voldoende zelfrespect bezit, heeft hij de neiging om dit respect te beschermen. Bij grote tegenvallers waren het anderen of de omstandigheden, die daar verantwoordelijk zijn –onze persoon heeft niet gefaald. Deze drang tot bescherming van de kwetsbare zelf is de bron van irrationeel gedrag. Een hoogleraar, die ontdekt dat zijn onderzoeksprogramma grote feilen vertoont – dat ontdekt hij niet; dat is helemaal niet waar. Als een collega dat toch helder aantoont, moet deze persoon ontslagen worden. Via roddel en achterklap weet hij de criticus uit de groep te stoten. Het mechanisme van de irrationaliteit leidt tot de ontkenning van ongemakkelijke waarheden. Mensen steken als ware struisvogels hun hoofd in het zand. Dit mechanisme noemen we dan ook het struisvogelmechanisme.

De ontologie van de orthodoxe sociologie

In de zogeheten sociale wereld zijn alle mensen lid van een groep, en vinden daar een bepaalde mate van erkenning in. Het geeft ze status, waarmee ze zich positief kunnen onderscheiden van andere mensen, niet leden van de eigen superieure groep. Andere groepen zijn gedragen zich anders. Ze interpreteren het leven anders. Hun cultuur heeft andere instituties ontwikkeld. Ze worden gezien als een bedreiging voor hun (superieure) levensstijl. Iedere groep streeft naar een bepaald grondgebied waar zij kunnen leven in overeenstemming met hun cultuur. De relaties tussen de verschillende groepen worden gekenmerkt door rivaliteit: wie bezet welke plaats in de sociale hierarchie (Girard, 1978, Bauman 1990, Keizer, 2015, Brandsma, 2018). Alles draait om status, en er worden veel middelen gereserveerd om het gevecht zo krachtig mogelijk aan te gaan. In deze wereld zijn alle mensen rijk, en niemand heeft psychische problemen. Dan kan de rivaliteit zeer ernstige vormen aannemen. De angst voor totale vernietiging heeft mensen ertoe gebracht om na te denken over het inperken van geweld. Mensen bleken een moreel besef te kunnen ontwikkelen: “dit mogen we elkaar en de goden niet aandoen”.

Deze wereld is natuurlijk niet realistisch, maar het beschrijft het sociale aspect van het leven; rivaliteit tussen groepen en solidariteit binnen de groepen. Leden die niet solidair zijn, moeten worden gedwongen zich aan te passen of anders de groep te verlaten. De homo sociologicus is de persoon die zich perfect aanpast. In de praktijk is er altijd onevenwichtigheid. Mensen die afwijken van de groepsnorm zijn vreemdelingen. Mensen die zich op het grondgebied van een andere groep bevinden, zijn vijanden, en in spannende tijden moeten deze dan ook weggestuurd te worden. Als het niet goed gaat met de groep, dan zijn het ongetwijfeld de vreemdelingen en de vijanden, die daar de oorzaak van zijn. Ze worden aangewezen als de zondebok, en als zodanig gestraft. Dit mechanisme noemen we dan ook het zondebokmechanisme.

De ontologie van de multidisciplinaire economie[2]

Als we de drie hominem met elkaar integreren, krijgen we een homo oeconomicus-psychologicus-sociologicus, die zich in een natuurlijke en sociale omgeving bevindt. De lichamen horen bij de omgeving van de personen. Een persoon staat voor de eigen ‘ik’, die een aantal essentiële kenmerken heeft, die met elkaar de persoonlijkheid vormen. De ‘ik’ heeft de beschikking over een ratio, die hem laat nadenken en een geweten, die hem op het juiste spoor houdt. Mentale processen verspreiden informatie naar de verschillende delen van de geest. Geest en omgeving evolueren voortdurend, en passen zich voortdurend aan elkaar aan – panta rei[3]. Elk element doet ervaring op, en ze reageren voortdurend op elkaar. Slechte ervaringen maken mensen voorzichtig, misschien wel obsessief voorzichtig. Goede ervaringen maken mensen zorgeloos, misschien wel te zorgeloos. Op deze wijze krijgen we een dynamisch beeld, waarin alle actoren historische wezens zijn. Ze leven onder grote onzekerheid: alles verandert immers voortdurend. Om toch een aantal belangrijke zaken te kunnen plannen, ontwikkelen levende wezens gewoonten, die naar eerdere ervaringen doelmatig bleken. Bepaalde gewoonten zijn zo belangrijk voor het voortbestaan, dat ze een morele connotatie krijgen: “jij behoort ‘s zondags naar de kerk te gaan”.

Nu hebben we een ‘frame’ geconstrueerd, waarin drie vormen van logica in een historisch-institutionele context zijn geplaatst. De grote drijvers van de geschiedenis bestaan dus uit de steeds evoluerende samenstelling van de drie primaire motivaties, inclusief hun restricties, te weten wilskracht, moraliteit en natuurlijke technologie. Al deze restricties kunnen veranderen, waardoor vooruitgang dan wel achteruitgang plaats vindt. Vanuit de evoluerende culturen worden steeds weer institutionele structuren gevormd, die het menselijk gedrag beïnvloeden. Als gedragseconomen willen onderzoeken in welke mate mensen irrationeel zijn, dienen ze op basis van een dergelijke geavanceerde analyse hun begrippen te definieren en aan elkaar te relateren. Experimenten moeten dus plaatsvinden in een realistische context, waarmee de begrippen betekenis wordt gegeven.

De onhoudbaarheid van het empiricisme

Vele moderne wetenschappers leiden aan irrationaliteit. Ze ontkennen steeds weer het belang van metafysische fenomenen, zoals de menselijke geest, als reservoir van gevoelens en gedachten. Emoties zijn impopulair; daar kun je als wetenschapper niets mee. Behaviouristische, cognitieve en biologische psychologen hebben de economie een duw in de empiristische richting gegeven (Keizer, 2015). Ze hanteren een materialistische ontologie, hetgeen hen verleidt tot een strict empiristische epistemologie: alleen observaties via de vijf klassieke zintuigen, zijn betrouwbaar. Logica, en de daarop gebaseerde wiskunde en de filosofie van de stochastiek zijn bekende uitzonderingen: wel metafysisch, maar acceptabel. Daar wordt verder niet over gepraat. De menselijke ervaring van schaarste, ook van sociale status en van zelfrespect is niet aanvaardbaar, omdat ze niet empirisch zijn. De onhoudbaarheid van deze filosofie kan eenvoudig worden aangetoond. Als we willen weten hoe hoog de werkloosheid in Nederland is, moeten we eerst een theoretische definitie van dat begrip hebben. Wat willen we eigenlijk zeggen met dat begrip? We willen weten hoeveel mensen geen baan hebben, terwijl ze dat wel graag willen. Er zijn veel liberale economen, die deze omschrijving niet accepteren. Ze prefereren de volgende definitie: uitgaande van een bepaalde situatie, zijn er mensen die geen baan hebben, en wel bereid zijn om tegen een lager loon dan de op dat moment geldende een bestaande, maar vervulde baan aan te nemen in ruil voor de werknemer die tot op dat moment de baan heeft. Als deze werknemer deze bedreiging serieus neemt, zal hij ook bereid zijn om een lager loon te accepteren. Als we vervolgens empirische indicatoren ontwikkelen, die de theorie empirisch toetsbaar maken, krijgen we grote verschillen, afhankelijk van de gekozen definitie. We hebben dus een theoretische bril nodig, die onafhankelijk van de empirie wordt geconstrueerd. Met behulp van deze bril kunnen we empirische indicatoren ontwerpen; dit heeft alleen zin als we een realistisch paradigma denken te hebben geconstrueerd. Als we een aspect-wetenschap nemen, zoals de drie orthodoxe menswetenschappen, die we zojuist hebben besproken, kunnen die empirische indicatoren dus niet worden geconstrueerd, want in aspect-analyses zijn bewust belangrijke categorieën van factoren weggelaten.

Mensen kunnen wel zelf tot de conclusie komen dat ze ongemakkelijke waarheden hebben genegeerd, en dat ze mee hebben geholpen critici te negeren, of zelfs uit de groep te werken. Bekende Duitse monetair-economen vroegen aan hun buitenlandse collega’s begrip voor hun angst voor inflatie, ook al is er geen enkele aanwijzing voor die angst. Alan Greenspan, lange tijd de voorzitter van de Federal Reserve System in the Verenigde Staten, gaf na de crisis 2008 toe dat hij en zijn collega’s over een lange periode waren bezeten van de gedachte dat er een nieuw tijdperk was aan gebroken, gekenmerkt door altijd doorgaande economische groei. Mijn persoonlijke ervaring is dat nagenoeg alle collega’s niet bereid zijn om over hun paradigma te praten. Het is teveel een bedreiging voor hun kwetsbare zelf. Stel je voor dat……, nee, onaanvaardbaar.

Conclusie

Het betekent dat een begrip als irrationaliteit – komende uit de orthodoxe psychologie niet zomaar empirisch kan worden waargenomen. Het is een toestand van de geest, en alleen de persoon zelf kan met behulp van aanhoudende introspectie, ontdekken dat hij op allerlei punten irrationeel voelt, denkt en handelt. Laten we het paradigma van de multidisciplinaire economie als een realistische beschouwen. Dit betekent dat elk gedrag in de eerste plaats wordt beïnvloed door de economische, psychische en sociale motivatie. De samenstelling van deze motivatiestructuur wisselt, afhankelijk van de situatie. Bovendien kunnen de hierbij horende drie restricties veranderen, te weten de technologie, de mentaliteit en de moraliteit, waardoor onze persoon zijn gedrag aanpast. In de derde plaats spelen onzekerheid, en de daaruit ontstane instituties een rol, waarbij historische gebeurtenissen een belangrijke rol.

Literatuur

Ariely, D. J.Kreisler (2017), Dollars and Sense, Dollars and Sense Magazine.

Bauman, Z. (1990), Thinking Sociologically, Oxford: Blackwell Publishers.

Brandsma, Bart (2018), Polarisation, Understanding the dynamics of Us versus Them, BB in Media.

Camerer, C., G.Loewenstein, D. Prelec (2007), Neuroeconomics: How Neuroscience Can Inform Economics, in: S.Maital et al. (eds.), Recent Developments in Behavioral Economics, The International Library of Critical Writings in Economics Series, Cheltenham: Edward Elgar.

Frank, R., B. Bernanke (2010), Principles of Economics, McGraw-Hill.

Girard, R. (2010), Things Hidden Since the Formation of the World, Stanford: Stanford University Press.

Kahneman, D. (2011), Thinking Fast and Slow, London: Penguin Books.

Keizer, P. (2015), Multidisciplinary Economics, A Methodological Account, Oxford: Oxford University Press.

Keizer, P. (2017), Hoe de crisis het economische denken verandert, linkse en rechtse dogma’s ontrafelt, Amsterdam: Amsterdam University Press.

Keynes, J.M. (1936), The General Theory of Employment, Interest and Money, London: McMillan St. Martin’s Press.

Minsky, H. P. (1982), Inflation, Recession and Policy, Brighton Harvester, Armonk, NY: M.E. Sharpe.

Sen, A., (2002), Rationality and Freedom, The Belknap Press of the Harvard
University Press.

Simon, H. (1957), Theories of Decision-Making in Economics and Behavioral Science, American Economic Reviw, 49, 252-283.

Teulings, C. (2017), Onze irrationaliteit is vaak voorspelbaar, NRC, 12 October.

 

 

[1] In gedrageconomisch onderzoek wordt deze neiging aangeduid als irrationeel!!

[2] Een andere term is interdisciplinaire economie, maar dit suggereert alsof the integratie tussen verschillende disciplines al heeft plaatsgevinden. Mijn werk is een poging daartoe, maar om nu al te beweren dat deze integratie geheel gelukt is, is niet verdedigbaar.

[3] Alles evolueert, maar dit houdt niet in dat dit echt zo is; alleen maar dat onze perceptie van dingen, en ook van ons echte zelf, aan verandering onderhevig kan zijn.

Posted in Multidisciplinary Economics, Papers | Tagged , , , , , , , , , , , , | Leave a comment

What’s wrong with behavioural economics?

What’s wrong with behavioural economics?

The next book of Ariely is about to be published. Since I was quite disappointed about two others of his books, I’m not motivated to read it. Fortunately this weekend the daily journal Trouw published a long interview with the author about his new book. And again, his answers are disappointing.

To illustrate my disapointment a few examples of experiments, which are discussed.

 

  1. A person has bought a theatre ticket in advance, and at the moment of entering the theatre, he discovers that he had lost the ticket. He decides not to buy a new one and turns back home. What makes this behaviour irrational? Many people in my neighbourhood, among them myself, chose this option, and came up with relevant motivations. A clear ‘no’ is an incentive to be more cautious with an expensive ticket. The person has a limited budget for cultural activities, and a ‘yes’ would mean that the person is out of budget control.
  2. A person has invested a lot of resources in his sport’s career. It seems that he will not reach his goals. Nevertheless, he perseveres – hoping for success in the end. He will never forgive himself not to have tried everything, and to have given up before the end. Ariely calls this behaviour irrational. I just admire this athlete.
  3. A female employee claims equal pay for equal productivity. So, if a male employee with the same education and the same experience and productivity earns 5,000 euros per month, she considers it fair to earn the same amount. Ariely calls this claim irrational.
  4. A woman is a recognised bargain hunter, and very successful in terms of self-respect and social recognition. Moreover, she hunts by walking an biking, which is a very healthy activity. Ariely is just counting amounts of money, and interpret some actions as irrational.
  5. A person buys a simple service, which takes about 5 minutes. Then is he confronted with a bill of 200 euros. His reaction is one of moral arousement: a simple activity, 5 minutes for 200 euros. Ariely calls this moral reaction irrational, although the reaction might be in accordance with the prevailing economic culture.

Continue reading

Posted in Artikelen, Multidisciplinary Economics | Tagged , , , , , , , , , , , | Leave a comment