Algemene loonindexering is onwenselijk

Algemene loonindexering is onwenselijk

De voorzitter van het FNV, Tuur Elzinga, noemde onlangs de inflatie in Nederland diefstal. Hij pleitte voor een loonindexering als compensatie. Er zijn echter argumenten, waarom dit géén goed idee is.

In de economische wetenschap wordt het begrip inflatie gedefinieerd als een stijging van de nominale waarde van een bepaald goederenpakket in een economie zonder de sectoren overheid en buitenland. Als de inkomens eenzelfde stijging vertonen, dan blijft de verdeling ervan ongewijzigd. Geldt dat niet voor de lonen, dan leidt inflatie tot stijging van de reële waarde van de kapitaalinkomens.

Deze theoretische definitie van inflatie wordt echter ook toegepast op de empirische  economie. De aanwezigheid van een grote sector buitenland houdt in dat een stijging van de importprijzen een significant effect heeft op de prijs van de goederen – en dus inflatie genereert. Het leidt tot een verarming voor alle inkomenstrekkers. Indexering van cao-lonen betekent dan ook dat de nationale verarming moet worden gedragen door andere inkomenstrekkers. Dat is ondoelmatig en unfair.

De aanwezigheid van de sector overheid levert een vergelijkbaar probleem op. Als de overheid, onder druk van een meerderheid van de bevolking, meer en kwalitatief betere voorzieningen aanbiedt, zal dit betaald moeten worden door de hele bevolking. Als een deel ervan via BTW en accijnzen wordt betaald, gaan de goederenprijzen omhoog. Loonindexering impliceert dat de cao-loontrekkers daar niet aan meedoen. Stel dat de loonbelasting wordt verhoogd. Omdat dit de koopkracht van de vrij besteedbare lonen aantast, zien we hetzelfde probleem.

In onze moderne samenleving moet de overheid regelmatig maatregelen nemen, die ons milieu en onze arbeids- en leefomstandigheden moeten verbeteren. Ook dit kan de prijs van het goederenpakket verhogen. Het is onverstandig om deze stijgingen allemaal inflatie te noemen. Veel mensen begrijpen dit fenomeen louter als (onterechte) koopkrachtvermindering. Feitelijk vormen de besproken prijsstijgingen een methode om alle mensen te laten meebetalen voor de nationale verarming en de betere collectieve voorzieningen.

Na de Tweede Wereldoorlog hebben werkgevers- en werknemersorganisaties met de overheid afspraken gemaakt. De overheid is verantwoordelijk voor het niveau van de werkgelegenheid (1), de werknemers en de werkgevers moeten in onderling overleg voor loonmatiging zorgen (2). In de jaren 1945-1965 waren de arbeidsverhoudingen gebaseerd op een grote mate van consensus. Daarna hebben de progressieve delen van de drie partijen in het overleg, steeds meer de nadruk gelegd op het conflict tussen arbeid en kapitaal. In 1982 was de economische situatie heel slecht. De vakbonden met het onderhandelingsmonopolie,  keken louter naar de ontwikkeling van de koopkracht van het netto, vrij besteedbare loon, de linkervleugel in de politiek was bezig de verzorgingsstaat af te maken, en een overheid die zich hield aan haar afgegeven werkgelegenheidsgarantie: dit was een forse inconsistentie in de instituties. De bonden zagen in dat ze met stakingen de economie kapot zouden maken. Eind 1982 werd het akkoord van Wassenaar gesloten: er was opnieuw sprake van arbeidsvrede.

De economische crisis van 2008-2018 heeft daar een streep doorgezet. Geen overleg – harde bezuinigingen, die de crisis verergerden. De vakbeweging en de progressieve vleugel in de politiek waren lam geslagen – het neoliberalisme regeerde, ook in tal van andere landen. Gelukkig trok de wereldeconomie aan omdat landen als China, India, Verenigde Staten en Brazilië hun economieën stimuleerden. De daarop volgende coronapandemie heeft betekende de terugkeer van de overheid als essentiële partner in de samenleving . Tezamen met een grillig geworden sector buitenland, is nu de terugkeer van het triparte overleg over de verdeling van het categoriale inkomen over arbeidsinkomen, kapitaalinkomen en belastingen noodzakelijk. Ook de EU kan zich er niet meer aan onttrekken – een polder in Brussel is nu onvermijdelijk. Op de agenda staat:

  • De macrolonen en prijzen als derde stabilisatiemiddel, naast de overheidsbegroting en de monetaire politiek
  • Migratiepolitiek en scholing om de mismatch op de arbeidsmarkt te reduceren.
  • Zorgvuldig en goed bijgehouden statistieken, waar alle EU-landen aan mee moeten doen.
  • De communicatie tussen de EU-landen over de kwaliteit van de economie kan worden verbeterd door de oprichting van een permanente groep van experts uit alle ledenlanden. Regelmatige rapportage van de analyses die zijn besproken moeten het debat in Europa richting en kwaliteit geven. Als er conflicten zijn tussen de verschillende experts, dan is dat voer voor verder debat. De rapporten zijn niet bedoeld om beleid te onderbouwen. Overleg is heel iets anders dan besluitvorming.

Piet Keizer, emeritus Associate Professor Economic Methodology, Utrecht University School of Economics.

Pietkeizer46@gmail.com

www.pietkeizer.nl

aantal woorden: 717.

This entry was posted in Columns and tagged , , . Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s