Naar een nieuwe overlegeconomie

Naar een nieuwe overlegeconomie  (ook gepubliceerd op Mejudice)

Inleiding

In de media wordt regelmatig een vergelijking gemaakt tussen de ontwikkeling van de inflatie en die van de cao-lonen. De voorzitter van de FNV heeft zich al uitgesproken over de wenselijkheid van algemene loonindexering. Hij noemde inflatie diefstal. In dit artikel zal ik onder meer betogen dat loonindexering ongewenst is. Om fouten uit het verleden niet te herhalen, is het belangrijk dat het Polderoverleg in ons land nu eens goed gaat functioneren. De SER heeft op het punt van loonvorming haar rol niet goed gespeeld, mede omdat ze daar de expertise niet voor heeft. Nederland bevindt zich na decennia van liberalisme op een kruispunt: welke kant gaan we de komende decennia op nu de rol van de overheid en van het maatschappelijk middenveld relevanter moet worden.

Huidige problemen

In de eerste plaats zitten we middenin de coronacrisis. Ook als de periode van de lockdowns voorbij is, zal het virus nog veel flexibiliteit van onze economie vragen. Ook de wereldeconomie zal steeds weer voor onvoorziene problemen zorgen. Kortom, onzekerheid troef. In de tweede plaats heeft de klimaatproblematiek zich zodanig gemanifesteerd, dat vele voormalige sceptici stil zijn geworden. Ten derde hebben de sociaaleconomische experts geen goede analyse voorhanden op basis waarvan ze in staat zijn de samenleving van goede strategieën te voorzien. Ten slotte zijn de statistieken met betrekking tot de economie niet adequaat, zodat deze geen plek op het ‘dashboard’ kunnen innemen.

Institutionele ontwikkelingen

In de 19de eeuw waren de meeste markten in het Westen behoorlijk concurrerend. Karl Marx zag al dat de groeiende schaal van productie monopoloïde marktvormen creëerde. Op de arbeidsmarkt leidde dit tot toenemende werkloosheid en uitbuiting van werknemers. Ze begonnen zich hiertegen te organiseren. Vakbonden creëerden wettelijk ondersteunde monopolies op de arbeidsmarkt voor wat betreft de loonvorming. Progressieve politieke partijen ontwikkelden politieke macht, vooral na de introductie van het algemeen kiesrecht. In vele West-Europese landen zien we een overlegstructuur ontstaan, waarin lonen en sociale wetgeving werden besproken. Werkgeversorganisaties en vakbonden hadden het alleenrecht om lonen vast te stellen, en de overheid beloofde naar volledige werkgelegenheid te streven. Het idee hierachter was, dat hiermee de klassenstrijd was overwonnen. Alle partijen committeerden zich aan afspraken, die het lange-termijn gezamenlijke belang dienden. De onderhandelingsruimte werd bepaald door marktconcurrentie en de redelijkheid van de deelnemers. Zonder deze instituties zou de markt niet werken en lange-termijndoelstellingen niet worden gehaald.

In Nederland hebben in de jaren zeventig de vakbonden en progressieve partijen zich niet redelijk gedragen (Keizer, 1982). De niet-confessionele vakbonden waren onder invloed gekomen van orthodox-socialistische ideeën. Bonden maximaliseerden het reële netto besteedbare loon, desnoods met behulp van hun stakingsmacht. Progressieve politieke partijen trachtten hun blauwdruk van de verzorgingsstaat – dwars tegen de economische restricties in – te realiseren. De econoom Stevers heeft gedurende de jaren ’70 ieder jaar hiervoor gewaarschuwd (Stevers, 1979). In de jaren ‘80 hebben we gezien dat die blauwdruk alleen mooi is in goede tijden, wanneer weinig mensen er gebruik van maken. Toen de werkloosheid begon op te lopen, was er geen houden meer aan. Het liberalisme kreeg hierdoor de wind in de zeilen. Het idee dat de overheid zich moet terugtrekken als het economisch niet goed gaat, leeft nog steeds onder grote delen van de Nederlandse bevolking. Het heeft in de periode 2008-2018 geleid tot bezuinigingen in de publieke sector, die averechts uitpakten. Gezien de grote problemen die voor ons liggen, is deze liberale visie een ernstige barrière voor de uitvoering van duurzame oplossingen.

Waar staat het overleg eigenlijk voor?

De klassieke sociologie is een benadering in de sociale wetenschappen, die historisch, macro, en sociaal van karakter is. Het beschrijft de ontwikkeling van de maatschappij in de loop der eeuwen. De twee bekendste visies zijn de conflict- en de consensus benadering. De eerste zegt dat vooruitgang plaats vindt door middel van conflicten. Deze moeten uitgevochten worden, en een winnaar en verliezer opleveren. De consensus benadering erkent dat er steeds conflicten zijn, maar dat de bepalende botsingen moeten worden uitgepraat. Als er consensus ontstaat over de richting waarin de evolutie moet plaats vinden, dan kunnen compromissen gesloten worden. West-Europa heeft het klassenconflict opgelost door een overlegstructuur te bouwen, waarbinnen serieus moet worden geanalyseerd, en statistieken worden geconstrueerd, waarover de verschillende partijen het eens kunnen worden. In Noord-Europa is deze strategie succesvol geweest. In Zuid-Europa bestaan wel overlegstructuren, maar de meeste bestuurders hebben nog een conflictmodel in hun hoofd. Door middel van stakingen en straatgevechten wordt druk uitgeoefend op de zittende macht. Soms worden er compromissen gesloten, maar deze blijken vaak op lange termijn niet betaalbaar te zijn. Nederland heeft in de jaren ’60 en ’70 het consensusmodel verlaten. De instituties waren hier niet tegen opgewassen, en structurele economische onevenwichtigheden waren het gevolg.

De taak van het overleg is de transformatie van de korte-termijn eigen belangen naar de lange-termijn algemene belangen. Indien analyse en statistiek niet worden besproken, gaat iedere belangengroep uit van een analyse en statistieken, die veelal een rationalisatie en rechtvaardiging zijn van het eigen belang. Liberalen nemen de neoklassieke economie en de microsociologie als uitgangspunt, ongeacht de situatie. De echte klassieke liberalen wenden zich tot de Oostenrijkse school, en negeren sociale relaties. De sociaaldemocraten daarentegen, hechten aan post Keynesiaanse analyse, ook als de situatie om een andere benadering vraagt. Grondig overleg over de analyse van de situatie is dodelijk voor elk dogmatisme. Helaas kon er gedurende de periode 1962 – 1982 niet echt gepraat worden. In de periode 2008 – 2018 kwam een serieuze discussie ook niet op gang. Erger, de PvdA verloor zijn laatste ideologische veer, terwijl de depressie juist om post Keynesianisme vroeg. Ze zijn de klap, die ze hierdoor kregen, niet te boven gekomen.

We hebben grote behoefte aan een Permanent overleg, waarin experts, desnoods uit het buitenland, de analyse en statistiek permanent bespreken. De lange-termijn doelen moeten steeds weer worden geijkt en de statistieken moeten steeds weer worden beoordeeld en verbeterd.

Analyse

In de jaren 1970 zat links fout, en in de jaren 2008-2018 interpreteerde rechts de economische situatie verkeerd. Het had grote gevolgen. De media hebben hierbij ook een grote rol gespeeld. Kritiek op het beleid kwam in beide gevallen niet echt van de grond. Zo blijft de politieke bubbel in stand. In Keizer (2018) wordt een machtsanalyse gegeven van de arbeidsmarkt. Indien we onze analyse beperken tot Nederland, dan moeten we rekening houden met een sterke prijselasticiteit op de goederenmarkt. Maar onze economie is sterk verbonden met andere Europese landen, Duitsland voorop. Het is beter een analyse te maken van de eurozone of van de EU. Dan is de genoemde elasticiteit veel geringer. Hetzelfde geldt voor de loonelasticiteit op de arbeidsmarkt. Dit betekent dat de post Keynesiaanse analyse voor de eurozone relevanter is dan de neoklassieke economie. De institutionele structuur van de arbeidsmarkt in Europa is ook gebaseerd op het idee dat de klassenstrijd weer opduikt, als we deze markt sterk dereguleren. De Oostenrijkse economisten hebben daar uiteraard een andere kijk op. De machtsanalyse laat ook zien dat cultuur en mentaliteit invloed hebben op de macht van een marktpartij. In de perioden 1960 en 1970 was de Nederlandse vakbeweging erg op de lange termijn gericht – we vechten voor een betere toekomst voor onze kinderen, en gaan dus lange en dure stakingen aan. Die mooie toekomst is er niet gekomen. Zouden de partijen op permanente basis een grondig wetenschappelijk debat zijn aangegaan, dan zou de samenleving daar enorm van geprofiteerd hebben. Hetzelfde geldt voor de periode 2008-2018. Radicale economen en post Keynesianen kregen in Europa geen poot aan de grond. Toen de Griekse minister van Financiën realistische voorstellen deed om de eurocrisis op te lossen, werd hij in de eurogroep door een Duitse jurist en een Nederlandse landbouwingenieur weggehoond (Varoufakis, 2018, Dijsselbloem, 2019). Goed Brussels overleg had veel ellende kunnen voorkomen.

Statistieken

Verschillende analyses gebruiken verschillende variabelen en verschillende meetmethoden. Ook bevatten officiële statistieken belangrijke fouten, waardoor het beleid op het verkeerde been worden gezet. Het Permanente Overleg moet deze problemen bespreken en zorgen voor goede data, waarin iedere partij zich kan vinden. Een voorbeeld van een foute statistiek is de wijze waarop inflatie wordt gemeten. Het theoretische begrip inflatie is ontwikkeld op basis van een model zonder aparte rekening buitenland en overheid. Het gaat dan louter over beloningen van kapitaal en arbeid in de Nederlandse particuliere sector.. Als nu de goederenprijzen stijgen, betekent dat de vragers naar goederen, meestal werknemers, meer moeten betalen voor hun bestedingen. Volgens het FNV is dat diefstal, en dit moet worden gecompenseerd door middel van algemene loonindexering. De economie in de praktijk ziet er echter heel anders uit. De twee genoemde sectoren zijn voor de Nederlandse economie erg belangrijk. Als nu de prijzen van importgoederen structureel stijgen, dan worden de stijgingen doorberekend in de goederenprijzen. Inflatie waartegen we de werknemers moeten beschermen? Nee, want het is geen bubbel, maar een teken van toegenomen schaarste. Ook de kapitalisten in Nederland moeten meer voor hun goederen betalen. Zouden alle werknemers, die een cao-loon ontvangen, worden beschermd tegen deze nationale verarming, dan blijft er nog maar een kleine groep over, die de schade moet financieren. Voor de sector overheid geldt een vergelijkbare argumentatie. Als omvang en kwaliteit van de collectieve voorzieningen toenemen, wordt dat voor een deel gefinancierd via een verhoging van de BTW. Deze wordt doorberekend in de prijs van  goederen. Als dat als inflatie wordt gezien, en de vakbeweging is in staat om algemene loonindexering door te voeren, dan hebben we een groot probleem. Een groot deel van de werknemers weet zich dan te onttrekken aan de financiering van de verbetering van de collectieve voorzieningen, waarvan zij wel profiteren. Deze fout is in de jaren 1970 gemaakt en heeft ons vele jaren ellende gegeven. We leven nu in een tijdperk, waarin zuiver linkse ideeën alleen bij een deel van de SP populair zijn. Gezien de problemen van milieu en armoede in de wereld, is het verstandig om het hele idee van de consumptiesamenleving achter ons te laten.

Ook theoretische begrippen zoals de macro-loonvoet, de  arbeidsproductiviteit van een economie in zijn geheel, zijn niet eenduidig empirisch weer te geven. Marx had al aandacht voor de ontwikkeling in de kapitaal coëfficiënt, dat is de inverse van de kapitaalproductiviteit. De neoklassieke theorie neemt aan dat deze constant is. Empirische economen namen altijd aan dat deze constante de waarde 3 had. Recentelijk heeft de radicale econoom Piketty ‘ontdekt’ dat de waarde geen constante is maar inmiddels 6 is (Piketty, 2014). Is de vondst van Piketty realistisch voor Nederland, dan zou dat betekenen dat de werknemers meer moeten gaan sparen.

Agenda

Het gewenste permanente meer-partijen overleg brengt sociale en economische experts bij elkaar. Niet alleen de hoofdstroom, maar ook de critici vanuit verschillende richtingen dienen regelmatig over de hoogte en verdeling van de inkomens te debatteren. Hun publicaties kunnen een belangrijke functie vervullen in het maatschappelijke debat. Met name een serieus debat over de categoriale inkomensverdeling wordt al lang niet meer gevoerd. Relevant is de plaats van werkgeverskosten met betrekking tot verbetering van de arbeidsomstandigheden, arbeidsvertegenwoordiging in overlegorganen en permanente bij- of omscholing moeten precies in kaart worden gebracht. Ook deze fenomenen zijn vormen van arbeidsbeloning. Ook de diverse vormen van kapitaalbeloningen moeten zorgvuldig worden geregistreerd. In de jaren ’70 had het kabinet Den Uyl een goed idee: de  vermogensaanwasdeling (VAD). Alleen de timing was slecht, want de winsten zakten tot een schrikbarend laag niveau. Zou dat dan een vermogensverliesdeling betekenen? Dat vond niemand acceptabel – maar het zou wel redelijk zijn geweest.

Conclusies

We gaan een onzekere periode tegemoet. De aanpak van de milieuproblemen en de kwaliteit van onze collectieve voorzieningen vergen veel schaarse middelen. Er is meer aandacht nodig voor de categoriale verdeling. De vrij besteedbare lonen in de particuliere sector zijn daar een onderdeel van. Voor gerechtvaardigde claims van kapitaal en publieke sector moet ook plaats zijn. Zonder zorgvuldig debat zal dit veel maatschappelijke onrust geven. We kunnen dit niet overlaten aan de sociale media en de straat. Een meerpartijenoverleg moet het maatschappelijk debat vorm geven. Het doel is om gezamenlijk lange-termijn doelen te formuleren, die ook daadwerkelijk bereikt worden. Deelnemers aan dit overleg moeten geschoold zijn in tal van verschillende interpretaties van de sociaaleconomische ontwikkelingen. Tot nu toe is daar niets van terecht gekomen. Stabiliteitspolitiek wordt tot op dit moment alleen gevoerd door Frankfurt en Brussel – alleen monetaire en financiële economen adviseren wel eens. De arbeidsmarkt dient zich aan te passen aan wat specialisten van andere markten hebben bedacht. Keynes (1946) heeft laten zien dat de macro-economische loonvoet een belangrijke bijdrage kan leveren aan prijsstabiliteit en duurzame ontwikkeling. Grove beleidsfouten zijn het gevolg van deze omissie geweest. Zonder begrip voor wat anderen beweegt, komen we uit bij een naakte machtsstrijd. De geschiedenis leert dat dit eindigt in oorlog en dictatuur. Europa moet laten zien dat ze een duurzaam democratisch alternatief is.

Literatuur

Dijsselbloem, J. (2018), De eurocrisis; een verhaal van binnenuit, Amsterdam: Prometheus.

Keizer, Piet (1982), Inflatie als institutioneel verschijnsel, Leiden, Stenfert Kroese.

Keizer, Piet (2015), Multidisciplinary Economics, a Methodological Account, Oxford: Oxford University Press.

Keizer, Piet (2018), A Multidisciplinary Foundation of Inclusive Institutions Analysis, Theoretical Economics Letters, 08 (11).

Keizer, Piet (2020), A Power Model of the Labour Market, Theoretical Economics Letters, Volume 10, Issue 4.

Keynes, J.M. (1943), The Objective of International Price Stability, The Economic Journal, 53.

Piketty, T. (2014), Capital in the Twenty-first Century, Cambridge, MA: The Belknap Press of Harvard University.

Stevers, Th. A. (1979), Na Prinsjesdag in de Volkskrant, Stenfert Kroese.

Varoufakis, Y. (2017), Adults in the Room, My battle with Europe’s deep establishment, London: The Bodley Head.

This entry was posted in Artikelen, Multidisciplinary Economics and tagged , , , , . Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s