OBSTFELD (IMF): ER IS NIET ZOIETS ALS EEN MONDIALE ECONOMIE

Obstfeld (IMF): Er is niet zoiets als een mondiale economie

Een paar maanden geleden heeft Maurice Obstfeld Oliver Blanchard opgevolgd als Chief-Economist van het IMF. De kwaliteit van Blanchard’s tekstboek bleek een goede voorspeller van het beleid dat hij voorstond: chaotisch. Obstfeld is ook een auteur van een prestigieus tekstboek. Voorspelt ons dat iets goeds?

We zullen eerst ingaan op tekstboek en beleid van Blanchard. Daarna komt het tekstboek en recent gepubliceerd materiaal van Obstfeld aan de beurt.

Oliver Blanchard

Zijn beleidsadviezen ten aanzien van de crisis in de ledenlanden van de eurozone waren inconsistent. Hij ging mee met het neoklassieke idee dat elk lid zelf verantwoordelijk is om haar concurrentiepositie op de wereldmarkt te verbeteren. Door te bezuinigen op de overheidsuitgaven, zouden de overheidsschulden afnemen. Bovendien zou de toenemende werkloosheid de arbeidskosten beperken, waardoor de export zou gaan stijgen. Op deze wijze wordt het vertrouwen in de economie hersteld. Maar zo nu en dan wees hij op de noodzaak van een bestedingsimpuls. Dit gezwalk heeft het gezag van het IMF geen goed gedaan – terwijl ze voor een enorme uitdaging stonden: hoe van een microeconomische benadering (elk land apart) te komen tot een macroeconomische benadering (de wereldeconomie heeft een probleem).

Blanchard (2011) blijkt een methodologische chaos. Het belangrijkste probleem is de wijze waarop de auteur de neoklassieke indeling in korte termijn – middellange termijn – lange termijn ook gebruikt voor zijn behandeling van het zogenaamde korte termijn-Keynesiaanse beleid. In de neoklassieke analyse wordt het begrip van logische tijd gehanteerd, terwijl de Keynesianen tijd als een historisch fenomeen beschouwen. Verontachtzamen we dit essentiële verschil (zoals Blanchard doet), dan krijgen we de volgende inconsistentie (Keizer, 2015, p.152-156). Zodra er een crisis uitbreekt, bevinden we ons in de korte termijn, hetgeen impliceert dat de vraag naar goederen moet worden gestimuleerd. Na een tijdje komen we terecht in de middellange termijn, en zullen de prijzen van kapitaal, arbeid en goederen omlaag moeten, om daarmee de concurrentie te verbeteren. Na enige tijd komen we in de lange termijn, en is het tijd voor liberale hervormingen, om daarmee het herstelvermogen van markten te versterken. In de neoklassieke benadering moet de eerste fase worden overgeslagen, en zal er direct met de tweede en de derde fase moeten worden begonnen. Blanchard ging mee met dit laatste element. Dit leverde in totaal twee inconsistenties op. De vraagstimulering vermindert de recessie, en maakt dat de prijzen minder dalen dan neoklassieken denken dat nodig is voor het herstel van concurrentiekracht. De invoering van liberale hervormingen vindt plaats terwijl het herstel lang niet is voltooid. Dat betekent dat de effecten van de hervormingen vooral negatief zijn. In Nederland werd tijdens de crisis de pensioengerechtigde leeftijd verhoogd, hetgeen daarom een negatief effect op de werkgelegenheid had. Ook werd in Nederland een wet ingevoerd, die beoogde de positie van flexwerkers te verbeteren, in ruil voor een ‘verslechtering’ van de posities van werknemers met een vaste baan. In een tijd van recessie werkt dat vooral negatief uit, en bevordert het de werkloosheid.

Zou alleen de analyse van Keynes zijn toegepast, dan was de effectieve vraag verhoogd via de overheidsinvesteringen. Na een paar jaren zou de economie weer zijn hersteld, en zou de infrastructuur zijn verbeterd, hetgeen de concurrentiepositie ten goede zijn gekomen.

Maurice Obstfeld

Het is de moeite waard om eens na te gaan, of het tekstboek van Obstfeld ook zo problematisch in elkaar zit. Obstfeld & Rogoff (1996) is een prestigieus tekstboek over de “Foundations of International Macroeconomics”. The term ‘foundation’ blijkt ‘micro-foundation’ te betekenen, alsof er geen macro-funderingen denkbaar zijn. Ofschoon de tekst het niet expliciet vermeldt, wordt met micro-fundering de ‘homo oeconomicus’ bedoeld – zoals dat het geval is met bijna alle tekstboeken. De logische implicatie is dat alle transacties worden gezien als rationele uitingen, welke ook niet zijn gebaseerd op positieve (solidariteit) of negatieve sociale motieven (rivaliteit).

Alternatieve benaderingen, bijvoorbeeld het radicaal-ecoonmische en het post-Keynesiaanse mondiale perspectief, worden niet bediscussieerd – zelfs niet eens genoemd. Omdat kapitaal het meest mobiele goed is, wordt verondersteld dat de internationale economische relaties worden gedomineerd door de mondiale kapitaalmarkt – een stelling die we al kennen van Marx.

Obstfeld & Rogoff besteden weinig aandacht aan het fenomeen muntunie. Ze zijn er duidelijk over: een muntunie zonder politieke unie functioneert niet. Andere vormen van bestuur dan de politieke – overleg en onderhandeling – bestaan kennelijk niet. Het internationaal-economische veld wordt beheerst door het zogeheten trilemma: vrije kapitaalmarkt, vrije wisselkoersen en monetaire onafhankelijkheid kunnen niet samengaan. Elk land heeft twee vrijheidsgraden, en moet zich op het derde punt aanpassen. Het spreekt vanzelf dat iedere benadering zijn eigen dilemma’, trilemma’s of zelfs hexalemma’s oplevert. Het boek beschouwt de arbeidsmarkt als volstrekt irrelevant. Deze stelling zou wel eens heel erg onder druk komen te staan in de nabije toekomst. Als de vooroordelen en de haat tussen de verschillende ethniciteiten blijft toenemen, is het onvoorstelbaar dat dit geen gevolgen heeft voor de mondiale economie.

Om na te gaan of Obstfeld de afgelopen jaren zijn paradigma heeft bijgesteld, is ook recent materiaal bestudeerd. Maar noch Obstfeld & Taylor (2004) noch Obstfeld & Chong & Mason (eds.) (2012) geven aanleiding om een dergelijke bekering te veronderstellen.

Stellen we eens voor dat hij overleg moet voeren met China, of met één van de andere BRIC-landen. De gesprekspartners hebben misschien een typische radicaal-economische of een post-Keynesiaanse visie. Obstfeld spreekt die talen echter niet, en zal dus ook niet begrijpen wat ze te zeggen hebben. In het Griekenland-dossier hebben we dit gebrek aan begrip uitvoerig kunnen zien.

Tot slot

We hebben vastgesteld dat Blanchard’s boek een methodologische chaos is, en dat zijn beleidsadviezen daardoor inconsistent waren. Het tekstboek van Obstfeld is daarentegen methodologisch consistent. De inhoud, echter, staat ver weg van onze dagelijkse realiteit. Hij blijkt een volbloed neoklassiek econoom, en beschouwt de wereldeconomie als een aggregaat van nationale economieën, welke op hun beurt een aggregaat is van individuen, geregeerd door een overheid die verantwoordelijk is voor het beschermen van particulier eigendom. De neoliberale premier van Groot-Britannië in de jaren 1980, Margaret Thatcher, zei eens: “there is no such thing as a society”. Obstfeld stelt dat er geen gesloten economieën zijn, en dat terwijl de wereldeconomie een perfect voorbeeld is van een gesloten economie. Met andere woorden: “there is no such thing as a global economy”. We moeten hierbij beseffen dat alle economieën steeds opener worden, hetgeen de relevantie van overleg, onderhandeling en eventueel politieke besluitvorming op wereldniveau alleen maar doet toenemen.

De politieke relevantie van de posities van Thatcher en Obstfeld zijn duidelijk. Met deze mensen aan het roer wordt het lastig om wereldcrises af te wenden dan wel te beperken. Welk probleem dan ook – elk land zal zijn eigen problemen moeten oplossen. Daar heeft niemand overlegstructuren zoals de G-20 voor nodig.

 

Referenties

Blanchard, O., A. Amighini, F. Giavazzi (2011), Macroeconomics: European Perspective, London, Prentice-Hall.

Keizer, P., Multidisciplinary Economics, A Methodological Account, Oxford: Oxford University Press.

Obstfeld, M, K. Rogoff (1996), Foundations of International Macroeconomics, The MIT Press, Cambridge Massachusetts.

Obstfeld, M., A.M. Taylor (2004), Global Capital Markets: Integration, Crisis, and Growth, Cambridge Books Online (http://ebooks.cambridge.org)

Obstfeld, M, Dongchul Cho, A. Mason (eds.) (2012), Global Economic Crisis: Impacts, Transmission and Recovery, Cheltenham, Edward Elgar.

 

Dr. Piet Keizer

Associate Professor of Economic Methodology

Utrecht University School of Economics

08-10-2015

 

 

Advertisements
This entry was posted in Artikelen, Multidisciplinary Economics and tagged , , , , , , , , , , . Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s