CPB, DNB, CBS: wie dienen jullie eigenlijk?

CPB, DNB, CBS: wie dienen jullie eigenlijk?

Introductie

Het CBS heeft besloten per 1 januari 2015 haar werkloosheidsdefinitie aan te passen aan de definitie van de International Labour Organization (ILO). Reden voor deze belangrijke beleidsaanpassing was het feit dat de internationale kritiek op de Nederlandse definitie steeds sterker werd. Bovendien waren het CPB en het DNB al eerder overstag te gegaan. Het CBS had een goed argument om aan haar eigen definitie vast te houden: deze sloot aan bij de zienswijze van een groot deel van de Nederlandse bevolking. Met andere woorden, de Nederlandse cultuur was tot nu toe bepalend, niet de visies en belangen van internationale organisaties. De nieuwe berekeningen laten een significante daling van het werkloosheidspercentage zien van om en nabij 2%-punt. De vraag is hoe verstandig het is de Nederlandse cijfers niet meer te berekenen en te publiceren. Hieronder zullen we ingaan op het de relatie tussen cultuur en statistiek, en op de validiteit van het argument van internationale vergelijkbaarheid.

Cultuur en empirie

Als een groep mensen veel met elkaar te maken heeft, dan vormt zich na verloop van tijd een cultuur, die de gemeenschappelijke visie op het leven en samenleven representeert. Deze visie is bepalend voor de sociaal-economische instituties. Beleidsdoelen worden geformuleerd, en relaties tussen de belangrijke fenomenen vastgesteld. De empirische indicatoren van de doelvariabelen moeten de ideeën achter de theoretische begrippen goed vertolken; anders ontstaat er een ongewenste kloof tussen theorie en feit (zie Piet Keizer, Het CBS tussen theorie en feit, www.pietkeizer,nl/colums, 16-12-2014). Nu het CBS overgaat op de definitie van werkloosheid, zoals deze door het ILO is geconstrueerd, gaat per 1 januari 2015 deze ongewenste kloof ontstaan. Het parlement, de vakbonden, en vele andere organisaties en de massa van de burgers worden nu geacht met cijfers te werken die voor de Nederlandse (beleids)practijk niet relevant zijn. Het argument dat wordt gebruikt om de overgang naar de ILO-definitie te rechtvaardigen, betreft de veronderstelde internationale vergelijkbaarheid, die hiermee gediend wordt.

Internationale vergelijkbaarheid

Stel dat de Mondiale Sport Federatie besluit om de typisch Nederlandse sporten kaatsen en korfbal van de lijst van sporten te halen – jawel, in het kader van de internationale vergelijkbaarheid. Dat zou dus inhouden dat Nederland zijn definitie van sport moet aanpassen. In het vervolg kunnen de organisaties van kaatsers en korfballers niet meer rekenen op overheidssubsidie. Het Nederlandse sportbeleid was gericht op de bevordering van de gezondheid van de burgers. Het sportbeleid heeft nu een andere functie gekregen: het verbeteren van het imago van de Nederlandse samenleving in de ogen van relevante andere landen. Dat is dan de reden om korfballers en kaatsers geen sportsubsidie meer te geven.

Dezelfde argumentatie wordt toegepast op het fenomeen werkloosheid. De werkelijkheid moet zich aan passen aan de belangen van mensen die graag naties met elkaar vergelijken: wie is beter, en wie staat laag op de internationale lijst van gezondheidszorg, onderwijs, veiligheid, sportprestaties, en vele andere mogelijkheden om elkaar de maat te nemen. Zij die eigen keuzes maken, worden gemaand hun gedrag te veranderen en zich aan te passen aan het mondiale wedloop-systeem.

Democratie en pluralisme

De vraag komt op wie Nederlandse instellingen zoals het CPB, het CBS en het DNB, eigenlijk dienen. Met andere woorden, met wie communiceren zij? Ze worden betaald door het Nederlandse volk, en worden geacht de Nederlandse belangen te vertegenwoordigen. Die Nederlandse belangen worden bepaald door de Nederlandse zienswijze op leven en samenleven. Op basis hiervan worden analyses gemaakt van het functioneren van de Nederlandse samenleving, inclusief de economie. Het spreekt vanzelf dat de genoemde organisaties hun beleid daarop afstemmen. Zij dienen te werken met cijfermateriaal dat relevant is vanuit de typisch Nederlandse invalshoek. Uiteraard kunnen experts in voortdurend contact staan met buitenlandse deskundigen; zeker voor wat betreft de meer technische aspecten van statistiek. Echter, de keuze van empirische indicatoren heeft een sterk theoretische inslag, en zal per cultuur anders zijn. Als er internationale oganisaties zijn, die de Nederlandse organisaties om materiaal vragen,waarmee zij hun eigen statistieken ontwerpen, is dat natuurlijk geen probleem; al helemaal niet als Nederland lid is van die organisaties. Maar dat mag niet leiden tot een aanpassing van ons eigen kwantitatieve verhaal! Indien dat wel gebeurt, moeten we daarna ons beleid aanpassen. Dit proces heeft gezien de argumentatie van internationale vergelijkbaarheid geen natuurlijk einde.

Toenemende centralisering van control-systemen.

In de historische sociologie wordt een tendens waargenomen, waarin de toenemende specialisatie gepaard gaat met een toenemende fragmentatie, welke wordt bestreden door toenemende centralisatie in de control-systemen. De EU is hier een goed voorbeeld van. Ook nu in tal van EU-landen wordt gevraagd om een pas op de plaats, gaat ‘Het Systeem’ echter gewoon door. Dit proces is gebaseerd op de idee van efficiency en beheersing.

Er is echter een belangrijke keerzijde. De moderne maatschappij levert steeds grotere systemen op, die veel invloed uitoefenen op het leven van gewone mensen. Maar als gevolg van de complexiteit van de systemen, creëert Het Systeem steeds meer risico’s voor alle mensen–  ook voor degenen die zo op het oog een veilige plek in dat stelsel van systemen hebben gevonden. Deze combinatie – toenemende onveiligheid en afnemende onafhankelijkheid bij het nemen van belangrijke beslissingen – kan explosief werken. De toenemende radicalisering in tal van EU-landen is hiervan een voorbeeld.

Internationale vergelijkbaarheid is maar schijn

De vergelijkbaarheid blijkt dus maar schijn te zijn. Het is afgedwongen, en de statistieken vertonen een forse vertekening. De wereld kent een hoge mate van heterogeniteit en dat is een lastig gegeven voor statistici. Hun theorieën en metingen gaan altijd uit van een bepaalde mate van homogeniteit. Het is uiteraard een slecht oplossing om de werkelijkheid te dwingen zich aan te passen aan de axioma’s van de statistische theorie. Dit fenomeen is typerend voor moderne systemen. Ze worden verondersteld in hun functioneren te worden ondersteund door academisch gevormde experts. Het post-modernisme heeft laten zien dat de wetenschap gebaseerd is op menselijke, en daarmee subjectieve beelden van menselijk gedrag. De constructeurs van Het Systeem gaan ervan uit dat iedere burger een rationeel mens is, die louter economische motieven heeft: hij wil opdrachten uitvoeren in ruil voor een beloning die hem een goede positie verschaft in the consumptiemaatschappij verschaft. Dit is echter een te beperkt mensbeeld. Mensen willen ook graag groepsgewijs domineren, en een aantal beslissingen zelf of door de eigen groep laten nemen. Dit betekent dat er een permanente strijd is om de macht over Het Systeem. Deze strijd geeft Het Systeem een moeilijk te beheersen dynamiek. Met betrekking tot de definiëring van werkloosheid moet Nederland zich aanpassen aan wat de ILO – op zijn beurt ook weer een systeem met een eigen dynamiek – heeft bedacht. Welk idee of belang gaat schuil achter de regel die zegt dat ook mensen die geen baan hebben, en een baan van 1 uur per week zoeken, ook al tot de populatie werklozen behoort. De keerzijde van deze regel is, dat mensen die een baan hebben van 1 uur per week, niet tot de populatie van werkozen behoort, ook al zoekt hij naar een baan van 36 uur per week. Voor Nederlanders is dit onbegrijpelijk, maar zij worden per 1 januari onthouden van zinvol cijfermateriaal hierover. Dit is dan de volgende stap in het proces van vervreemding van het kiezersvolk van de kaste van politici, bijna allemaal lid van de (internationale) bestuurlijke elite.

Oplossing

De genoemde Nederlandse organisaties hebben als primaire opdracht de Nederlandse samenleving van cijfers te voorzien, die voor haar van belang zijn. Indien bepaalde internationale organisaties, om hen moverende redenen, bepaald statistisch materiaal willen hebben, dan kan in z’n algemeenheid aan dergelijke verzoeken worden voldaan. Maar de grootste fout die de Nederlandse organisaties kunnen maken, is het stopzetten van de eigen berichtgeving. Meerdere cijfers over een en hetzelfde fenomeen is niet verwarrend, maar laat de heterogeniteit zien, die zo kenmerkend is voor onze globaliserende maatschappij.

De fouten die in de wereld van de statistiek worden gemaakt, hangen samen met de ontwikkelingen in de academische wereld. Gamma-wetenschappen worden steeds verder gereduceerd tot een verzameling kwantitatieve methoden, die uitgaan van een data set. De vraag wie om welke redenen die set heeft geconstrueerd, blijft meestal achterwege. Dit type constructies vraagt om een gedegen kennis van de paradigma’s, analyses en theorieën die achter een dergelijke definitie zitten. Helaas worden theoretische structuren nauwelijks meer bestudeerd. Een zou een enorme verbetering betekenen voor het kwantitatieve onderzoek, indien het eraan voorafgaande kwalitatieve deel van de kennistructuur veel meer aandacht krijgt.

Een laatste punt dat de aandacht verdient is de constatering dat toenemende centralisering in toenemende mate tegenkrachten ontwikkelt. In de eerste plaats, zijn dat machtige groepen die de baas willen worden van Het Systeem. Rusland en China zijn goede voorbeelden hiervan. In de tweede plaats, zijn er tegenkrachten die uit zijn op meer homogene groepen – die uiteraard ook weer zoveel mogelijk macht nastreven. Het maakt Het Systeem er niet voorspelbaarder op. Een genuanceerde derde weg bestaat uit het bevorderen van verantwoordelijkheden op alle niveaus: individueel, kleine groep, locaal, nationaal en internationaal. Hierbij kunnen over transfers worden onderhandeld, die in principe tijdelijk zijn.

De problematiek van de werkloosheidsdefinitie staat symbool voor de typisch moderne problematiek van maatschappelijke beheersing. Daarom verdient het grondige aandacht van alle experts op het terrein van de gamma-wetenschappen.

Dr. Piet Keizer,

Associate Professor of Economic Methodology

Utrecht University School of Economics

1523 woorden

17-12-2014.

 

 

 

 

 

 

This entry was posted in Artikelen and tagged , , , , . Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s