De Irrationaliteit van de gedragseconomie

Irrationaliteit van de gedragseconomie

Piet Keizer

Associate Professor of Economic Methodology, Utrecht University School of economics – 03/05/2018

Inleiding

De opmars van de gedragseconomie houdt aan. Het fenomeen ‘nudge’ wordt herkend en steeds meer toegepast. In ons land is de Donorwet een recent voorbeeld: wie geen formulier invult, wordt beschouwd als donor. Wie dat niet wil, moet moeite doen om dat kenbaar te maken. Mensen worden gezien als gemakzuchtige comfortzoekers, die dit op een onnadenkende manier doen. De nudge-psychologen gaan er vanuit dat deze twee eigenschappen moeilijk te veranderen zijn. Hoe zijn mensen dan te verleiden het goede te doen? Door het ontwerpen van slimme omgevingsstructuren. Sturende instanties hoeven zo het donorschap niet verplichten, en mensen hoeven elkaar niet met morele oordelen in een bepaalde richting te sturen. Fantastisch toch? Toch is niet elk voorbeeld van ‘nudgen’ onschuldig, waaronder de genoemde donorwet. Het ontwerp van kantoortuinen – ‘dat bevordert de communicatie tussen medewerkers’ – kan erg irriteren en de arbeidsproductiviteit negatief beïnvloeden. De afwezigheid van een goede analyse van het fenomeen irrationaliteit maakt het belangrijk om na te gaan op welke vooronderstellingen de huidige gedragseconomie berust.

Geschiedenis

Simon (1957) wordt gezien als de grondlegger. Hij keerde zich tegen de orthodoxe en neoklassieke economie, die volledige rationaliteit veronderstelden. Simon maakte geen helder onderscheid tussen volledige rationaliteit en volledige informatie. Hij stelde vast dat de menselijke geheugencapaciteit schaars is – een zeer orthodox-economische gedachte – , en concludeerde dat the rationaliteit van mensen alleen geldig is onder de restrictie van de aanwezige informatie. Hij noemde dit fenomeen begrensde rationaliteit (‘bounded rationality’). De neoklassieken wisten hier wel raad mee. Mensen maken schattingen van wat er in het verleden is gebeurd, en van wat we in de toekomst kunnen verwachten. De ene keer wordt iets overschat, de volgende keer iets onderschat. Rationele mensen hebben rationele verwachtingen. Ze gaan er van uit dat alle mensen rationeel zijn, en met elkaar een stabiel systeem vormen. Dit betekent dat ze allemaal hun gedrag afstemmen op de door iedereen verwachte trends. Iedereen zit er voortdurend een beetje naast; dat is het risico. Maar dat risico is te berekenen. Daar hebben we kwantitatieve economen voor. Probleem opgelost!

Economen als Keynes (1936) en Minsky (1982) werden niet in het curriculum opgenomen; dat waren geen echte economen. Alleen in sommige keuzevakken werd aandacht besteed aan fenomenen zoals overmoed (‘hybris’) en bijziendheid (‘myopiness’); echt iets voor hobbyisten. In beleidskringen ontmoetten economen toch regelmatig experts van andere disciplines, en dat blijkt altijd weer vruchtbaar. Het resultaat was een lange lijst van ‘gedragsproblemen’, die moeilijk als rationeel konden worden geïnterpreteerd. Mensen sparen weinig en lenen zoveel van een bank. Werknemers investeren weinig in zichzelf, en als ze werkloos worden , raken ze in de problemen. Mensen drinken veel alcohol, en in kringen van het topmanagement is het snuiven van cocaine populair. Mensen liegen veel en draaien hun hand niet om voor corruptie en fraude. De orthodoxe en neoklassieke theorie – die niet alleen irrationaliteit, maar ook iedere notie van socialiteit, en daarmee samenhangende moraliteit ontkend – , heeft zich gericht op de ontwikkeling van economische instituties, die opportunistisch gedrag kanaliseert en beperkt. Garanties en reputatiescores zijn hier bekende voorbeelden van.

Behaviouristische en cognitieve psychologen zijn steeds meer gaan samenwerken met empirisch ingestelde economen (Kahneman, Ariely). De proefpersonen zijn natuurlijk geen hominem oeconomici, en hebben meerdere motivaties om iets te willen. Daarom is het niet mogelijk om door middel van experimenten vast te stellen, wie rationeel en wie irrationeel handelt. Iemand die voor 4 euro een latte koopt, een vrouw die voorstander is van het principe van gelijke beloning voor gelijke productiviteit, een persoon die zijn vooral gekochte bioscoopkaartje kwijt raakt, en dan niet even gauw een nieuwe koopt – een onafzienbare rij experimenten, waarbij niet duidelijk is wat de onderzoekers eigenlijk verstaan onder het begrip rationaliteit. Soms gaat het om mensen, die laag scoren op een cognitieve IQ-test (Teulings, 2017), dan weer om mensen die geen economie hebben gestudeerd en even over het hoofd zien dat marginale kosten niet hetzelfde zijn als gemiddelde kosten (Frank, Bernanke, 2010). Een derde groep refereert irrationaliteit naar een gebrek aan zelfbeheersing (Sen (2012), Keizer, 2015).

Moderne gedragseconomie

Behaviouristische psychologen zien de menselijke geest als een ‘black box’. We kunnen alleen impulsen en responsen waarnemen. Als de responsen een systematische reactie op de impulsen laten zien, dan hebben zij gedrag ‘verklaard’. Introspectie levert geen betrouwbare informatie op; empirische waarneming daarentegen wel. Cognitieve psychologen hebben een model gemaakt van de wijze waarop rationele proefpersonen informatie opslaan, en weer tevoorschijn halen, indien de situatie daar om vraagt. Uit experimenten blijkt vervolgens dat personen systematisch afwijken van dit referentie-model; ergo, mensen zijn irrationeel.

Beide stromingen werken veel samen. De laatste decennia hebben ze steeds meer hulp gekregen van neuro-psychologen, dat zijn breindeskundigen (Camerer, Kahneman, Loewenstein, Prelec, 2003). De drie groepen tezamen opereren tegenwoordig onder de vlag van de ‘positieve psychologie’, een veelzeggend label. Breinonderzoek heeft interessante resultaten opgeleverd. Kahneman onderscheidt twee systemen in het brein. Het eerste zorgt voor een snelle verwerking van informatie, die past bij al opgeslagen informatie, waarbij weinig energie wordt gebruikt. Het tweede systeem zorgt voor de verwerking van vooral onbekende informatie, waarbij energievretende overwegingen worden gemaakt: opslaan? En zo ja, waar?. Het tweede systeem heeft dus een controlerende functie, en irrationaliteit wil zeggen, dat deze functie niet goed werkt. Teveel prikkels worden doorgelaten, en leiden tot gedrag, die eigenlijk voorkomen had moeten worden. Resultaten van breinonderzoek zijn onder andere:

  1. Nieuwe informatie gaat naar systeem 2 om nader onderzocht te worden. Indien het niet consistent is met reeds opgeslagen kennis, dreigt het niet opgeslagen te worden. Informatie wordt gegroepeerd, en hele verzamelingen informatie worden opgeslagen dan wel afgekeurd. Een liberaal, die ontdekt dat een bepaalde spreker een socialist is, zal vanaf dat moment hele stukken van het verhaal niet meer kritisch benaderen, maar gewoon niet horen: “dat is tig keer niks”
  2. Voorkeuren zijn context-gebonden. Een persoon die thuis nooit een latte drinkt, kan in een bepaald café deze drank bij voorkeur bestellen. Een belangrijker voorbeeld betreft economen, die op een neoklassiek georienteerd congres de neiging vertonen om stellingen aan te hangen, die ze in andere omgevingen zullen verwerpen.
  3. Wat bekend is, wordt als veilig beschouwd, maar mensen uit een totaal verschillende cultuur roepen een alert-signaal op: pas op!
  4. Mensen ervaren risico als iets anders dan onzekerheid. Risico is een cognitief, en onzekerheid is een affectief verschijnsel. Ze zetten verschillende hersengebieden in werking
  5. Mensen blijken bijziend te zijn. Informatie die betrekking heeft op de lange termijn wordt nauwelijks doordacht en zeker niet opgeslagen: “dat zien we dan wel weer”.

Hersenen- en geestelijke processen, vormen twee aspecten van eenzelfde fenomeen. Ze kunnen analytisch worden onderscheiden, maar empirisch niet gescheiden. De twee zijn wel onderhevig aan verschillende mechanismen, hetgeen aspect-analyse belangrijk maakt. Een persoon die geheel in balans is, heeft de werking van beide mechanismen op elkaar af weten te stemmen.

Positieve psychologen hebben zich afgekeerd van de ‘core business’ van de psychologie: analyse van de logica van de psyche. De gedragseconomie heeft deze reductie overgenomen. Waar de neoklassieke economie werkt met een onrealistische homo oeconomicus, werkt de gedragseconomie zonder mensbeeld. Er blijft slechts een machine over, waarvan het gedrag het resultaat is van de werking van fysisch-chemische reacties in het lichaam, waaronder de hersenen. We kunnen ons wel verbeelden dat er een geest is, maar dat is louter bewustzijn, welke gedetermineerd worden door materiële processen. We kunnen wel ervaren dat we beslissingen nemen, maar dat is een illusie. Wij kunnen slechts de woordvoerder van de materie zijn. In de volgende sectie gaan we dit materiële beeld confronteren met een minder reductionistische voorstelling van zaken.

De ontologie van de gedragseconomie

Ontologie gaat over de axioma’s, waar elke kennisstructuur op gebaseerd is. Deze vooronderstellingen leggen de aard van een mens en zijn situatie vast. Het geeft de richting aan, waarin het onderzoek zich beweegt.

Zoals gezegd, hebben behaviouristische psychologen de realiteit gereduceerd tot materie, waardoor ze alleen maar een brein zien, geen geest. Introspectie – gevoelens en gedachten in de eigen geest bestuderen – doet niet mee als betrouwbare bron van kennis. Het enige dat telt, is een prikkel van buiten en de gedragsreactie die erop volgt. Als een kind een koekje pakt en vlak daarna krijgt ze een tik, dan zal het snel leren geen koekje te pakken. Zo raken mensen geconditioneerd: materiele omstandigheden maken de mens. Cognitieve psychologen geven personen informatie, en kijken dan wat er daarna gereproduceerd wordt. Irrationaliteit wordt dan gedefinieerd als het systematisch maken van cognitieve fouten. Mensen met een laag IQ maken zijn irrationeler dan mensen met een hoog IQ. Onderwijs helpt een bevolking rationeler te worden. De ‘nudge’-beweging accepteert dat mensen gericht zijn op een comfortabel leven, waarin overheid en moralisten niet teveel hinder veroorzaken. Ze trachten de omgeving zo te ontwerpen, dat gemakkelijke oplossingen samengaan met goede oplossingen. Het betekent wel dat mensen niet voor het goede kiezen, maar door sturende instanties naar het goede leven worden gelokt. Het is een kleine bijdrage voor de korte termijn. Een fundamentele oplossing voor het probleem van de irrationaliteit is het natuurlijk niet. Eigenlijk wordt er steeds om de hete brij heengelopen. Het zijn altijd de omstandigheden, nooit de persoon zelf, die de bron van problemen is[1]. De ‘ik’ van een persoon, die in het dagelijks leven geacht wordt verantwoordelijk te zijn voor zijn daden, is er niet. De gedragseconomie kijkt louter naar allerlei materiële onderdelen, waar niemand voor verantwoordelijk is. Met andere woorden, mensen zijn machines waar experts aan sleutelen – dat doen die mensen zelf niet; er is helemaal geen zelf.

De ontologie van de orthodoxe economie

In de tweede helft van de 19e eeuw begonnen een aantal economen een analyse te maken van het economische aspect van menselijk gedrag. Ze noemden dat het economische handelen. Hierbij wordt dus geabstraheerd van belangrijke andere aspecten, waardoor het economische handelen niet empirisch kan worden waargenomen. Mill, Menger, Walras, en later Pareto beschouwden schaarste van bestaansmiddelen als het typisch-economische probleem. Uiteraard hebben mensen meer dan economische problemen, maar daar dienen sociologen en psychologen zich over te buigen. Als wij de economische logica ontwikkelen, dan kunnen zij de sociale en psychische logica voor hun rekening nemen. Daarna moeten we bij elkaar gaan zitten, en gezamenlijk een logica van het menselijk handelen ontwikkelen. Als we daarna onze analyse plaatsen in een context van onzekerheid en daaruit ontstane instituties, die door de tijd heen zijn ontwikkeld, hebben we een realistisch mensbeeld in zijn historische context geplaatst. Dan is de tijd aangebroken om te zien of we een empirische wereld kunnen construeren, die congruent is met de theoretische wereld. Pareto heeft daarna nog een sociale logica ontwikkeld, en later hebben de ‘rationele keuze’- sociologen gewerkt aan een homo sociologicus. Maar dat was het dan ook. Al heel snel gingen de meeste economen het orthodox-economische bouwwerk zien als een geschikte theoretische fundering voor hun empirisch onderzoek – een analytische fout zonder weerga. De economen, die dit op hun geweten hebben, noemen we neoklassiek. Ze zijn van mening dat een vrije markteconomie een competitieve economie is. Mochten mensen andere dan economische motieven hebben, dan zullen ze de concurrentieslag verliezen, en failliet gaan. De overheid wordt impliciet beschouwd als een verzameling goedwillende ambtenaren, die louter het algemeen belang nastreven. Dat belang behoort dan te zijn dat particulier eigendom wordt beschermd tegen diefstal of vernietiging door andere mensen. Deze markteconomie werkt als een stabiel systeem, en behoeft daarom geen verdere ondersteuning. Al deze axioma’s en verdere veronderstellingen bleken dermate onrealistisch, dat er tegenwoordig weinig aandacht meer aan wordt besteed in het onderwijs. Maar de theoretische resultaten hebben wel de ‘frames’ in de hoofden van bijna alle mensen gevormd. Aan de universiteiten wordt deze fundamentloze economie gedoceerd, en econometristen voelen zich er niet meer door gedisciplineerd, Ze hebben de monodisciplinering van de neoklassieke economie vervangen door een zero-discipline. Hun denken wordt louter nog gestructureerd door de wetten van de wiskunde en daar van afgeleide statistische theorie. De wijze waarop de eurozone de crisis van de laatste tien jaar te lijf is gegaan, illustreert hoezeer de onrealistische axioma’s in de geesten en breinen van de economen is opgeslagen. Doordat ze nooit meer precies worden geformuleerd, liggen ze daar zonder ooit uitgedaagd te worden.

Om ze uit te dagen en te zien hoe ze realistischer kunnen worden gemaakt, zullen we ze nu expliciet formuleren. Dan kunnen gedragseconomen beter begrijpen waarom ze systematische fouten maken bij het interpreteren van de resultaten van hun experimenten.

De zogeheten economische wereld wordt bewoond door hominem oeconomici. De homo oeconomicus wordt beschouwd als een economische actor, die zo rijk mogelijk wil worden met een minimum aan schaarse middelen. Hij is rationeel, hetgeen wil zeggen dat hij zijn eigen voorkeuren goed kent, en redelijk op de hoogte is van de mogelijkheden op markten om zijn behoeften te bevredigen. Hij kent de overige hominem oeconomici wel, maar gaat daar geen sociale relaties mee aan; alleen economische. Dat wil zeggen dat zijn voorkeuren niet veranderen door de omgang met anderen, en dat de banden worden verbroken zodra een kosten-batenanalyse uitwijst, dat de relatie niet meer voordelig is. Deze veronderstelling wordt aangeduid met de term ‘atomisme’: mensen zijn atomen, die in aanraking met andere atomen, geen moleculen met elkaar vormen, die nieuwe eigenschappen blijken te hebben.

Gedragseconomen denken nu dat deze homo oeconomicus vaak niet zo rationeel is, omdat hij systematisch cognitieve fouten maakt. Hij is slecht geinformeerd en niet zo intelligent, waardoor hij fouten blijft maken op een systematische wijze. Er zijn ook gedragseconomen die het begrip rationaliteit gebruiken op een manier die overeenkomt met de betekenis van het woord in de filosofie en in de psychische analyse. Daar heeft het betrekking op het fenomeen zelfbeheersing. In termen van Kahneman betekent irrationaliteit dat systeem 2 onvolledige controle heeft over het doen en laten van systeem 1. Hier wordt echter geen psychologische analyse ontwikkelt op basis van een helder geformuleerd paradigma. De gebruikte taal is verbonden aan breinonderzoek, niet aan een analyse van het functioneren van de psyche; iets wat we kunnen verwachten van een psycholoog. We zitten nu middenin de populaire discussie over ‘pillen of praten’. Het juiste antwoord is natuurlijk beide. Maar voor deze strategie is het heel belangrijk om een verklarende analyse te hebben van zowel fysiologische als mentale processen in hun onderlinge samenhang.

Om de systematische fouten van de experimentele gedragseconomen te begrijpen, moeten we proberen de analytische leemte kunnen opvullen.

De ontologie van de orthodoxe psychologie

Stel een persoon is rijk en geliefd bij familie, vrienden en collega’s. Kan hij desondanks toch nog in een depressie belanden? Ja, dat kan. Er zijn naast problemen van armoede en sociale erkenning, ook nog typisch-psychische problemen. Deze kunnen alleen begrepen worden aan de hand van een analyse van de geest. Stel de geest is een systeem met drie elementen (Keizer, 2015). In de eerste plaats hebben we de ‘ik’, de besluitvormer. Ten tweede is er de actuele zelf, de doener. In de derde plaats hebben we de eigenlijke zelf, oftewel het geweten van de persoon, die de ‘ik’ steeds zijn lange-termijn strategie voorhoudt. De ‘ik’ bouwt een intuïtie op in de loop van zijn jaren, en beschikt over een ratio, die de inkomende informatie logisch structureert, en over wilskracht, welke functioneert als een energiebron, die door de ‘ik’ kan worden gebruikt om de actuele zelf, dat is de doener, te corrigeren. Dit systeem ontvangt voortdurend informatie. Past de informatie bij de reeds opslagen kennis, dan wordt het snel verwerkt. Indien de informatie daarmee strijdig is, wordt het door de ratio onderzocht en al dan niet aanvaard. Sommige informatie is zo bedreigend voor het zelfrespect van de persoon, dat deze niet wordt verwerkt. Deze negatie is dan het irrationele element in het mentale proces.

Een persoon kan lijden aan een gebrek aan zelfrespect, omdat hij heeft ontdekt dat hij steeds weer korte-termijn comfort de voorkeur geeft aan een lange-termijn strategie, waarin hij zijn talenten ontwikkelt, en daarmee een bijdrage levert aan de opbouw van de maatschappij. Als onze persoon wel voldoende zelfrespect bezit, heeft hij de neiging om dit respect te beschermen. Bij grote tegenvallers waren het anderen of de omstandigheden, die daar verantwoordelijk zijn –onze persoon heeft niet gefaald. Deze drang tot bescherming van de kwetsbare zelf is de bron van irrationeel gedrag. Een hoogleraar, die ontdekt dat zijn onderzoeksprogramma grote feilen vertoont – dat ontdekt hij niet; dat is helemaal niet waar. Als een collega dat toch helder aantoont, moet deze persoon ontslagen worden. Via roddel en achterklap weet hij de criticus uit de groep te stoten. Het mechanisme van de irrationaliteit leidt tot de ontkenning van ongemakkelijke waarheden. Mensen steken als ware struisvogels hun hoofd in het zand. Dit mechanisme noemen we dan ook het struisvogelmechanisme.

De ontologie van de orthodoxe sociologie

In de zogeheten sociale wereld zijn alle mensen lid van een groep, en vinden daar een bepaalde mate van erkenning in. Het geeft ze status, waarmee ze zich positief kunnen onderscheiden van andere mensen, niet leden van de eigen superieure groep. Andere groepen zijn gedragen zich anders. Ze interpreteren het leven anders. Hun cultuur heeft andere instituties ontwikkeld. Ze worden gezien als een bedreiging voor hun (superieure) levensstijl. Iedere groep streeft naar een bepaald grondgebied waar zij kunnen leven in overeenstemming met hun cultuur. De relaties tussen de verschillende groepen worden gekenmerkt door rivaliteit: wie bezet welke plaats in de sociale hierarchie (Girard, 1978, Bauman 1990, Keizer, 2015, Brandsma, 2018). Alles draait om status, en er worden veel middelen gereserveerd om het gevecht zo krachtig mogelijk aan te gaan. In deze wereld zijn alle mensen rijk, en niemand heeft psychische problemen. Dan kan de rivaliteit zeer ernstige vormen aannemen. De angst voor totale vernietiging heeft mensen ertoe gebracht om na te denken over het inperken van geweld. Mensen bleken een moreel besef te kunnen ontwikkelen: “dit mogen we elkaar en de goden niet aandoen”.

Deze wereld is natuurlijk niet realistisch, maar het beschrijft het sociale aspect van het leven; rivaliteit tussen groepen en solidariteit binnen de groepen. Leden die niet solidair zijn, moeten worden gedwongen zich aan te passen of anders de groep te verlaten. De homo sociologicus is de persoon die zich perfect aanpast. In de praktijk is er altijd onevenwichtigheid. Mensen die afwijken van de groepsnorm zijn vreemdelingen. Mensen die zich op het grondgebied van een andere groep bevinden, zijn vijanden, en in spannende tijden moeten deze dan ook weggestuurd te worden. Als het niet goed gaat met de groep, dan zijn het ongetwijfeld de vreemdelingen en de vijanden, die daar de oorzaak van zijn. Ze worden aangewezen als de zondebok, en als zodanig gestraft. Dit mechanisme noemen we dan ook het zondebokmechanisme.

De ontologie van de multidisciplinaire economie[2]

Als we de drie hominem met elkaar integreren, krijgen we een homo oeconomicus-psychologicus-sociologicus, die zich in een natuurlijke en sociale omgeving bevindt. De lichamen horen bij de omgeving van de personen. Een persoon staat voor de eigen ‘ik’, die een aantal essentiële kenmerken heeft, die met elkaar de persoonlijkheid vormen. De ‘ik’ heeft de beschikking over een ratio, die hem laat nadenken en een geweten, die hem op het juiste spoor houdt. Mentale processen verspreiden informatie naar de verschillende delen van de geest. Geest en omgeving evolueren voortdurend, en passen zich voortdurend aan elkaar aan – panta rei[3]. Elk element doet ervaring op, en ze reageren voortdurend op elkaar. Slechte ervaringen maken mensen voorzichtig, misschien wel obsessief voorzichtig. Goede ervaringen maken mensen zorgeloos, misschien wel te zorgeloos. Op deze wijze krijgen we een dynamisch beeld, waarin alle actoren historische wezens zijn. Ze leven onder grote onzekerheid: alles verandert immers voortdurend. Om toch een aantal belangrijke zaken te kunnen plannen, ontwikkelen levende wezens gewoonten, die naar eerdere ervaringen doelmatig bleken. Bepaalde gewoonten zijn zo belangrijk voor het voortbestaan, dat ze een morele connotatie krijgen: “jij behoort ‘s zondags naar de kerk te gaan”.

Nu hebben we een ‘frame’ geconstrueerd, waarin drie vormen van logica in een historisch-institutionele context zijn geplaatst. De grote drijvers van de geschiedenis bestaan dus uit de steeds evoluerende samenstelling van de drie primaire motivaties, inclusief hun restricties, te weten wilskracht, moraliteit en natuurlijke technologie. Al deze restricties kunnen veranderen, waardoor vooruitgang dan wel achteruitgang plaats vindt. Vanuit de evoluerende culturen worden steeds weer institutionele structuren gevormd, die het menselijk gedrag beïnvloeden. Als gedragseconomen willen onderzoeken in welke mate mensen irrationeel zijn, dienen ze op basis van een dergelijke geavanceerde analyse hun begrippen te definieren en aan elkaar te relateren. Experimenten moeten dus plaatsvinden in een realistische context, waarmee de begrippen betekenis wordt gegeven.

De onhoudbaarheid van het empiricisme

Vele moderne wetenschappers leiden aan irrationaliteit. Ze ontkennen steeds weer het belang van metafysische fenomenen, zoals de menselijke geest, als reservoir van gevoelens en gedachten. Emoties zijn impopulair; daar kun je als wetenschapper niets mee. Behaviouristische, cognitieve en biologische psychologen hebben de economie een duw in de empiristische richting gegeven (Keizer, 2015). Ze hanteren een materialistische ontologie, hetgeen hen verleidt tot een strict empiristische epistemologie: alleen observaties via de vijf klassieke zintuigen, zijn betrouwbaar. Logica, en de daarop gebaseerde wiskunde en de filosofie van de stochastiek zijn bekende uitzonderingen: wel metafysisch, maar acceptabel. Daar wordt verder niet over gepraat. De menselijke ervaring van schaarste, ook van sociale status en van zelfrespect is niet aanvaardbaar, omdat ze niet empirisch zijn. De onhoudbaarheid van deze filosofie kan eenvoudig worden aangetoond. Als we willen weten hoe hoog de werkloosheid in Nederland is, moeten we eerst een theoretische definitie van dat begrip hebben. Wat willen we eigenlijk zeggen met dat begrip? We willen weten hoeveel mensen geen baan hebben, terwijl ze dat wel graag willen. Er zijn veel liberale economen, die deze omschrijving niet accepteren. Ze prefereren de volgende definitie: uitgaande van een bepaalde situatie, zijn er mensen die geen baan hebben, en wel bereid zijn om tegen een lager loon dan de op dat moment geldende een bestaande, maar vervulde baan aan te nemen in ruil voor de werknemer die tot op dat moment de baan heeft. Als deze werknemer deze bedreiging serieus neemt, zal hij ook bereid zijn om een lager loon te accepteren. Als we vervolgens empirische indicatoren ontwikkelen, die de theorie empirisch toetsbaar maken, krijgen we grote verschillen, afhankelijk van de gekozen definitie. We hebben dus een theoretische bril nodig, die onafhankelijk van de empirie wordt geconstrueerd. Met behulp van deze bril kunnen we empirische indicatoren ontwerpen; dit heeft alleen zin als we een realistisch paradigma denken te hebben geconstrueerd. Als we een aspect-wetenschap nemen, zoals de drie orthodoxe menswetenschappen, die we zojuist hebben besproken, kunnen die empirische indicatoren dus niet worden geconstrueerd, want in aspect-analyses zijn bewust belangrijke categorieën van factoren weggelaten.

Mensen kunnen wel zelf tot de conclusie komen dat ze ongemakkelijke waarheden hebben genegeerd, en dat ze mee hebben geholpen critici te negeren, of zelfs uit de groep te werken. Bekende Duitse monetair-economen vroegen aan hun buitenlandse collega’s begrip voor hun angst voor inflatie, ook al is er geen enkele aanwijzing voor die angst. Alan Greenspan, lange tijd de voorzitter van de Federal Reserve System in the Verenigde Staten, gaf na de crisis 2008 toe dat hij en zijn collega’s over een lange periode waren bezeten van de gedachte dat er een nieuw tijdperk was aan gebroken, gekenmerkt door altijd doorgaande economische groei. Mijn persoonlijke ervaring is dat nagenoeg alle collega’s niet bereid zijn om over hun paradigma te praten. Het is teveel een bedreiging voor hun kwetsbare zelf. Stel je voor dat……, nee, onaanvaardbaar.

Conclusie

Het betekent dat een begrip als irrationaliteit – komende uit de orthodoxe psychologie niet zomaar empirisch kan worden waargenomen. Het is een toestand van de geest, en alleen de persoon zelf kan met behulp van aanhoudende introspectie, ontdekken dat hij op allerlei punten irrationeel voelt, denkt en handelt. Laten we het paradigma van de multidisciplinaire economie als een realistische beschouwen. Dit betekent dat elk gedrag in de eerste plaats wordt beïnvloed door de economische, psychische en sociale motivatie. De samenstelling van deze motivatiestructuur wisselt, afhankelijk van de situatie. Bovendien kunnen de hierbij horende drie restricties veranderen, te weten de technologie, de mentaliteit en de moraliteit, waardoor onze persoon zijn gedrag aanpast. In de derde plaats spelen onzekerheid, en de daaruit ontstane instituties een rol, waarbij historische gebeurtenissen een belangrijke rol.

Literatuur

Ariely, D. J.Kreisler (2017), Dollars and Sense, Dollars and Sense Magazine.

Bauman, Z. (1990), Thinking Sociologically, Oxford: Blackwell Publishers.

Brandsma, Bart (2018), Polarisation, Understanding the dynamics of Us versus Them, BB in Media.

Camerer, C., G.Loewenstein, D. Prelec (2007), Neuroeconomics: How Neuroscience Can Inform Economics, in: S.Maital et al. (eds.), Recent Developments in Behavioral Economics, The International Library of Critical Writings in Economics Series, Cheltenham: Edward Elgar.

Frank, R., B. Bernanke (2010), Principles of Economics, McGraw-Hill.

Girard, R. (2010), Things Hidden Since the Formation of the World, Stanford: Stanford University Press.

Kahneman, D. (2011), Thinking Fast and Slow, London: Penguin Books.

Keizer, P. (2015), Multidisciplinary Economics, A Methodological Account, Oxford: Oxford University Press.

Keizer, P. (2017), Hoe de crisis het economische denken verandert, linkse en rechtse dogma’s ontrafelt, Amsterdam: Amsterdam University Press.

Keynes, J.M. (1936), The General Theory of Employment, Interest and Money, London: McMillan St. Martin’s Press.

Minsky, H. P. (1982), Inflation, Recession and Policy, Brighton Harvester, Armonk, NY: M.E. Sharpe.

Sen, A., (2002), Rationality and Freedom, The Belknap Press of the Harvard
University Press.

Simon, H. (1957), Theories of Decision-Making in Economics and Behavioral Science, American Economic Reviw, 49, 252-283.

Teulings, C. (2017), Onze irrationaliteit is vaak voorspelbaar, NRC, 12 October.

 

 

[1] In gedrageconomisch onderzoek wordt deze neiging aangeduid als irrationeel!!

[2] Een andere term is interdisciplinaire economie, maar dit suggereert alsof the integratie tussen verschillende disciplines al heeft plaatsgevinden. Mijn werk is een poging daartoe, maar om nu al te beweren dat deze integratie geheel gelukt is, is niet verdedigbaar.

[3] Alles evolueert, maar dit houdt niet in dat dit echt zo is; alleen maar dat onze perceptie van dingen, en ook van ons echte zelf, aan verandering onderhevig kan zijn.

Advertisements
This entry was posted in Multidisciplinary Economics, Papers and tagged , , , , , , , , , , , , . Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

w

Connecting to %s