De macht van de taal en de taal van de macht

 De visie die ten grondslag ligt aan een analyse bepaalt welke taal wordt gehanteerd. Deze taal blijkt beslissend voor de feiten die worden vastgesteld en de beleidsinstrumenten die worden gekozen.

Inleiding

De Europese economie ontwikkelt zich al een aantal jaren minder goed dan daarvoor. In de media worden deze ontwikkelingen dagelijks weergegeven en becommentarieerd. Vaak wordt de suggestie gewekt dat feitelijke weergave en interpretatie en duiding twee activiteiten zijn die zorgvuldig moeten worden gescheiden. In de praktijk blijkt dit echter niet mogelijk. Er blijken geen feiten te zijn die los staan van de zienswijze die een waarnemer heeft. We kunnen alleen iets waarnemen als we eerst een definitie hebben geformuleerd van hetgeen we willen waarnemen. Maar hoe komt een mens aan een definitie? Door goed na te denken over bepaalde problemen, en dan in een creatieve bui een reeks van begrippen te formuleren die zich op logische wijze tot elkaar verhouden. Zo hebben economen in de 19e eeuw denksystemen ontwikkeld op basis van klassiek-liberale (Lockeaanse) uitgangspunten. De definities en op basis daarvan gepleegde empirische waarnemingen gelden dus alleen maar als de waarnemer zelf een aanhanger is van de liberale zienswijze. Als voorbeeld van een typische klassiek-liberaal uitgangspunt kan gelden de niet te toetsen stelling dat mensen individuen zijn, die in essentie onafhankelijk van andere mensen opereren, en goed in staat zijn hun eigen individuele belangen te kennen en te behartigen. Voor de mensen die deze formulering van eigenschappen van individuen eenzijdig vinden, en op zoek gaan naar alternatieve uitgangspunten, gelden de liberale analyses en empirische feiten niet! Zo zijn er mensen die van mening zijn dat ‘het individu’, los van zijn omgeving een onaanvaardbare abstractie is. Ieder individu wordt geboren in een bepaalde context, welke ‘het individu’ in hoge mate beïnvloed.  Om een realistische analyse te maken van menselijk gedrag is het dus ook denkbaar om bij de omgeving te beginnen, bijvoorbeeld de maatschappij in z’n algemeenheid. Sommige samenlevingen bieden meer mensen kansen om zich te ontplooien dan andere. Met andere woorden, samenlevingen kunnen zich kenmerken door meer of mindere ongelijkheid. Socialistische en sociaal democratische analyses van de economie veronderstellen dat er zonder overheidsingrijpen enorme machtsverschillen tussen groepen ontstaan. De aanhoudende sociale conflicten bemoeilijken een stabiele  economische ontwikkeling. Conservatieve analyses gaan wel uit van aanhoudende conflicten in een liberale samenleving, maar   zoeken de oplossing niet in een vermindering van de ongelijkheid, maar in een goed georganiseerde samenleving, waarin voor een ieder een menswaardige functie beschikbaar is. Iedere functionele groep dient zich goed te organiseren, en zich permanent te beraden op haar maatschappelijke taak. Dit beraad hoort te leiden tot een cultuur – per beroepsgroep als wel voor de economie als geheel – waardoor een vrije samenleving niet in liberale chaos terecht komt.

Eenzijdigheid in het crisisdebat

Het huidige crisisdebat in de Westerse media laat zien dat in de berichtgeving als wel in de opinievorming de liberale filosofie domineert. De economie als maatschappelijke sector wordt vaak gezien als het gebied waar economen het alleenrecht hebben om er iets over te zeggen. Sociologen en psychologen worden niet gevraagd om commentaar te geven als er weer eens een euroland in problemen is gebracht. Dan worden alleen economen gevraagd die door de gevestigde orde als prestigieus worden gezien, en specialist zijn wat betreft financiële markten. De laatste decennia blijkt steeds sterker dat deze specialisten geen fatsoenlijke algemeen economische opleiding hebben gevolgd. Hun analyse betreft dan ook een klein en partieel deel van een groter geheel dat niet wordt geanalyseerd. Kijken we naar de studieprogramma’s van financiële specialisten, dan zien we een enorme verenging optreden in de loop der jaren. De economische en maatschappelijke context is in toenemende mate veronachtzaamd. Een goed begrip van de crisis kan dan ook niet meer van de huidige specialisten verwacht worden.

Kijken we naar de ontwikkelingen in het vak macro-economie – bij uitstek een gebied waarin de grote lijnen in het oog zouden moeten worden gehouden – dan zien we eenzelfde ontwikkeling. De liberale stroming heeft andere benaderingen uit de studieprogramma’s verdrongen. Ze levert een wel erg simpel en onrealistisch uitgangspunt op, welke zich goed leent voor het maken van complexe berekeningen: kosten/batenanalyses en voorspellingen voor de korte en middellange termijn bijvoorbeeld. Dat er dientengevolge met name in tijden van onzekerheid, niets van klopt, wordt niet als bezwaar gezien: ‘je moet toch wat!’.

Op deze manier worden we overspoeld door eenzijdige berichtgeving: een wereld vol met getallen, maar boterzacht, en veelal vervaardigd met een ideologisch en politiek doel.

De rol van de universiteit

Universiteiten zijn van oudsher instituten waar kennis wordt ontwikkeld en gedoceerd. Essentieel daarbij is dat de staf daarbij belangeloos haar werk doet. Uiteraard is niemand bij zijn onderzoek in staat om van zichzelf te abstraheren. Er zal daarom ook altijd een subjectief element aanwezig zijn in welk onderzoek dan ook. Echter, staan stafleden altijd onder druk om zich aan te passen aan de gevestigde orde in de maatschappij. De individuele onderzoeker is misschien geïnteresseerd in een baan bij het bankwezen, en zal deze sector niet heel kritisch benaderen. Sterker, onderzoekers ontwikkelen bewust netwerken met professionals buiten de universiteit. Deze netwerken vormen misschien een bron van cultuurvorming. Dit houdt in dat universitaire staf haar visie op de fenomenen die voorwerp zijn van onderzoek, sterk laat beïnvloeden door mensen die een duidelijk belang hebben bij bepaalde onderzoeken en bepaalde uitkomsten van onderzoek. In de westerse wereld is het belang van zogeheten 3e geldstroom onderzoek  enorm toegenomen. Deze financiële afhankelijkheid van kapitaalkrachtige derden vormt een rechtstreekse bedreiging voor de vrijheid van denken en handelen van de echte wetenschapper.

Is het nu echt allemaal zo erg? Een beetje derde geldstroom onderzoek levert toch de middelen op om nog meer belangeloos fundamenteel onderzoek te doen? Gewoon om me heen kijkend zie ik hoegenaamd geen stafleden meer die belangeloos naar waarheid zoeken. Is het niet het bedrijfsleven of de overheid die met geldmiddelen het onderzoek stuurt, dan is het wel de wetenschappelijke gemeenschap zelf die – onder invloed van het gevestigde denken – een bedreiging vormt voor het vrije en belangeloze waarheidszoeker. Niemand die nog onafhankelijk opereert van de door de macht voorgeschreven methoden van onderzoek. Er is een voortdurende strijd tussen groepjes specialisten om een eervolle plek te krijgen voor hun favoriete tijdschriften op “ de lijst” van tijdschriften, gerangschikt naar prestige. Individuele onderzoekers houden er niet van om over deze statusgevechten openlijk te praten. De vergelijking met de Bijbel dringt zich op: christenen houden er ook niet van te praten over de wijze waarop mensen hebben besloten welke teksten wel en welke teksten niet tot de Bijbel behoren of zouden moeten behoren.

Met name rijke particuliere Amerikaanse universiteiten zetten de toon hierbij. Voor economie geldt dan dat wiskundig en statistisch werk, op basis van liberale uitgangspunten aan de top staan. Nu zijn er vele universiteiten in Amerika, en is daar nog wel enige diversiteit te bespeuren, met name aan kleinere publieke instellingen. Maar de invloed van de ‘mainstream economics’ op de Europese en Aziatische universiteiten is enorm. In Nederland zijn alternatieve benaderingen nagenoeg uitgestorven aan de Economische Faculteiten. Twee uitzonderingen doen zich voor. Er wordt tegenwoordig iets meer “Behavioural Economics” en evolutionaire institutionele economie gedoceerd.  Maar de massa van economiestudenten krijgen hoegenaamd geen wetenschapsfilosofie meer, zodat een vluchtige bik op een alternatieve ‘theorie’ niet zoveel zin meer heeft.

Alternatieve route

Nu de universiteiten vooral als opleidingsfabrieken functioneren om het bestaande maatschappelijke systeem in stand te houden, moeten er nieuwe bolwerken komen waar kritisch en onafhankelijk onderzoek kan plaats vinden. Een enkele georganiseerde poging daartoe is onlangs mislukt, en er blijft niets anders over dan dat individuen die zich vrij en geroepen voelen om kritisch en onafhankelijk te zij, zich manifesteren.

De komende maanden, vanaf begin augustus zal ik een aantal voorbeelden uitwerken waaruit blijkt hoe ideologisch bepaald de huidige berichtgeving en opinievorming over de economische crisis is. Daarbij denk ik niet alleen aan woorden als begrotingsdiscipline, bezuinigingen, milde recessie, en noodzakelijke hervormingen. Maar ook aan de dagelijkse stroom van metaforen: “iedereen moet zijn broek ophouden, en daarom ook de overheid”, “het kasboek van de overheid moet kloppen”, “de nucleaire optie” (= “het open zetten van de geldkraan” = geldschepping), “geld kun je maar een keer uitgeven”.

De taal is machtig, vooral de taal van de machtigen!

 

Piet Keizer

Universitair Hoofddocent Economische Methodologie

Utrecht University School of Economics

P.K.Keizer@uu.nl

http://www.pietkeizer.nl

Advertisements
This entry was posted in Artikelen. Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

w

Connecting to %s