Keynes’s filosofie zijn lessen in praktische economie

Inleiding

Onze recente geschiedenis kent twee grote depressies: de dertiger jaren van de 20ste eeuw, en de jaren tien van de 21ste eeuw. Beiden werden bestreden met behulp van klassiek-economische politiek; beide keren werkte deze politiek pro-cyclisch. Klassieke economen beschouwen een vrije-markteconomie als een stabiel systeem. Als de overheid zich nu beperkt tot het garanderen van eigendomsrechten, dan zal het systeem door middel van het prijsmechanisme altijd een tendens naar evenwicht vertonen. Als dit aanpassingsmechanisme veel tijd vraagt, moeten de burgers de discipline opbrengen om niet om overheidsingrijpen te roepen. Gaat het langdurig fout, dan kan dit alleen het gevolg zijn van een teveel aan overheidsingrijpen. In 1929 en 2008 was dit het geval, en moest de rol van de overheid kleiner worden.

Keynes had in 1929 al heel wat theoretisch en praktisch werk achter de rug. Hij was van mening dat in tijden van depressie prijsflexibiliteit het probleem verergeren. Een vrije-markteconomie, eenmaal in depressie, is niet in staat om algemeen evenwicht te bereiken.

We gaan in dit artikel in op de vraag hoe Keynes’s filosofie tot een compleet ander economisch-politiek advies leidde. Om een goede vergelijking met de klassieke economen mogelijk te maken, zullen we eerst kort ingaan op de klassieke filosofie. We zullen zien dat het gekozen wetenschapsfilosofische uitgangspunt beslissend is voor de vraag welke politiek gevoerd moet worden.

De filosofie van de klassieken

De klassieke economie gaat uit van een wereld waarin individuen, niet groepen, maar één probleem kennen: de middelen van bestaan zijn schaars. Het dwingt ze tot het optimaliseren van de allocatie van deze middelen. Ze doen dit op rationele wijze. Dit betekent dat ze zich laten leiden door het lange-termijn eigenbelang. Ze hebben voldoende wilskracht om niet verslaafd te raken aan goederen die alleen op korte termijn veel genot oplevert. Bovendien zijn ze atomistisch: al hun relaties met andere personen zijn economisch van karakter. Ze vormen geen elkaar rivaliserende groepen, waarin de leden hun ‘voorkeuren’ laten bepalen door een gemeenschappelijk gevormde cultuur. In de typische economische wereld kan informatie-uitwisseling kan natuurlijk wel hun koop- en verkoopgedrag beinvloeden, maar niet de basale doelen van mensen. Alleen in geval van publieke goederen zal de overheid een rol moeten spelen bij de koopbeslissing en de betaling ervan. Als er marktonevenwichtigheden zijn, zullen prijsfluctuaties deze wegwerken. Mocht de overheid zich op directe wijze bemoeien met de hoogte van de goederenprijzen, de lonen en de interestvoeten, dan zal een markteconomie uit balans raken en inefficiënt worden. Door de zware concurrentie op de markten hebben de mensen geen mogelijkheid om andere dan economische motieven te hanteren. Wie irrationeel handelt, doet zichzelf tekort. Een sociaal gemotiveerde ondernemer prijst zichzelf uit de markt.

We kennen onze motivatie uit introspectie van onze geest. Ook nemen we empirisch waar dat prijsschommelingen leiden tot veranderingen in de verhandelde hoeveelheden goederen. De typische economisch, rationele en niet-sociale mens (homo economicus) leeft in een mechanisch opererende wereld. Het klassieke model leent zich om de effecten van externe schokken, zoals de import van de corona-virus, te bestuderen. Interne schokken doen zich niet voor.

De filosofie van Keynes

Het wereldbeeld van waaruit Keynes werkt, ziet er totaal anders uit. Mensen ervaren hun werkelijkheid als complex, en dat roept onzekerheid op. Mensen zijn groepsdieren; ze ontwikkelen in sociale interactie conventies. Zo wordt ruimte gecreëerd, waarbinnen ze activiteiten durven ondernemen. In de klassieke wereld leidt onvolledige informatie tot risico’s, waarvan de hoogte geschat kan worden. Mensen die niet van risico houden, kunnen zich verzekeren. Dat schept de mogelijkheid baten en kosten van economische activiteiten uit te rekenen. In de wereld van Keynes is dit maar in beperkte mate een oplossing. Met name de toekomst is onbekend, en zijn er vele mogelijke gebeurtenissen, die niet voorzien en ook niet verzekerd kunnen worden. Er is dan een overheid nodig die de economie als geheel moet stabiliseren. Keynes heeft laten zien dat prijsflexibiliteit op micro-markten alleen optimale allocatie oplevert, indien de economie als geheel stabiel is. De markteconomie kan gered worden als de overheid de macro-prijzen, oftewel de goederenprijs, de loonvoet en de interestvoet, stabiliseert.

Als Keynes economische relaties onderzoekt, zijn mensen niet alleen economische en sociale actoren. Het zijn ook psychisch gemotiveerde mensen, die vaak last hebben van zelfontkenning: ze willen de waarheid over zichzelf niet weten. De drie primaire motieven zijn bij Keynes context-specifiek. Ieders geschiedenis speelt een rol. Duitsland heeft een eeuw geleden een monetair trauma opgelopen, die tot op de huidige dag doorwerkt. Frankrijk heeft zich nog steeds niet bevrijd van het historisch gegroeide idee dat Duitsland een rivaal is, in plaats van één van de vele concurrenten.

In de laatste grote depressie hebben we gezien dat klassieke economen dachten dat een belastingverlaging voor de burgers consumptief zou worden besteed. De analyse van Keynes houdt er rekening mee, dat economisch-depressieve mensen het extra inkomen gaan sparen of zelfs oppotten. Hetzelfde probleem deed zich voor met de deregulering van de arbeidsmarkt. Flexibeler arbeidsmarkten zouden de concurrentiekracht van de economie verbeteren, en daarmee de werkgelegenheid doen groeien. Maar economisch-depressieve werkgevers gebruikten de versoepeling van ontslag om meer mensen te ontslaan, en niet om nieuwe vacatures te openen. Ook de loondaling die van dit beleid het gevolg was, werkte pro-cyclisch. Met andere woorden, de eurozone heeft de afgelopen tien jaar fout op fout gestapeld – omdat ze de uitgangspunten van Keynes nooit in hun beschouwingen hebben betrokken.

Een anti-depressiepolitiek bestaat uit een stabiel houden van macro-prijzen en een verhoging van de overheidsinvesteringen. Als bepaalde landen in de eurozone lonen en prijzen niet weten te stabiliseren, moeten ze daarbij geholpen worden. Noord-Europese landen hebben veel succes gehad met systemen van collectieve onderhandelingen.

Keynes heeft ook veel aandacht besteed aan de lange termijn. Hij voorzag dat het economische probleem van de schaarste binnen niet al te lange tijd zou zijn opgelost. Dan zouden er veel middelen vrijkomen om de economische mens om te scholen tot de morele mens. Mensen hebben behoefte aan ethische doelen, en aan gemeenschappen, zoals naties en de EU. Het kapitalisme zorgt daar niet voor. Maar als er overvloed aan tijd en middelen is, kan een maatschappelijk middenveld voor een moreel anker zorgen.

Conclusies

De klassieke economie en de economie van Keynes zijn op twee verschillende wereldbeelden gebaseerd. Er wordt door verschillende micro- en macroscopen naar de realiteit gekeken, en daarom worden er ook andere, en anders gedefinieerde empirische indicatoren waargenomen. Keynes stelt vast dat de overheid macro-prijzen moet stabiliseren, waardoor fluctuaties in de micro-prijzen succesvol zijn in het herstel van evenwicht in geval van schokken.

De verschillen tussen de klassieke en de Keynesiaanse principes kunnen als volgt worden samengevat. Ten eerste, klassieke analyse is partieel (alleen het economische motief zet mensen in beweging) en de Keynesiaanse analyse is integraal (ook het sociale en psychische motief spelen een rol). Ten tweede, klassieke economie is micro-geörienteerd (de analyse start bij een individu), terwijl de analyse van Keynes macro-geörienteerd is (de economie als geheel is het startpunt van de analyse). Ten derde, de klassieken gaan uit van een gesloten en mechanisch systeem, terwijl Keynes uitgaat van een open en organisch systeem. Ten vierde, schetsen de klassieken een statisch dan wel een dynamisch beeld, terwijl Keynes een historisch-evolutionair beeld presenteert.

Bij Keynes heeft een markteconomie geen antwoord op de radical onzekerheid, die er is ten aanzien van de toekomst. Dit maakt het nodig om in goede tijden buffers aan te leggen – met name particuliere personen en organisaties. De overheid dient dan als stabilisator. Als de particuliere sector relatief veel spaart, en weinig schulden heeft, moet de overheid tegenwicht bieden door veel te lenen. De mensen moeten niet alleen sparen, maar ook hun flexibiliteit verhogen door aan hun fysieke, mentale en morele gezondheid te werken, en hun leven lang blijven leren. De overheid moet zorgen voor goede systemen van onderwijs, gezondheidszorg, en rechtsbescherming. Dit vereist ambtenaren, die hebben geleerd een moreel, en niet een economisch mens te zijn. Integere ambtenaren, die het algemeen belang dienen, is een noodzaak voor een gezonde economische ontwikkeling.

In de jaren ’20 van de vorige eeuw zag Keynes de crisis aankomen, de klassieke economen niet. In de jaren ’10 van deze eeuw zagen de postkeynesianen de crisis aankomen, de klassieke economen niet. Door het hanteren van een partieel en gesloten model zagen ze de psychische factor van de irrationaliteit en de sociale factor van de maatschappelijke onvrede, die ging opspelen nadat de economie een zware val had gemaakt, niet. In de klassieke analyse wachten economische actoren, totdat ze weer mogelijkheden zien. Mensen van vlees en bloed reageren heel anders. Daardoor konden de politici niet zo lang wachten met ingrijpen, zoals de klassieke analyse voorschrijft.

Literatuur

Van Dalen, H., K.Koedijk (2018), De kleine Keynes, Atlas Contact.

Keizer, P. (2015), Multidisciplinary Economics, A Methodological Account, Oxford University Press.

Keizer, P. (2017), Hoe de crisis het economische denken verandert, Amsterdam: Amsterdam University Press.

Sidelski, R. (2009), Keynes, the Return of the Master, London: Allen Lane, Penguin Books.

Sidelski, R. (2015), The Essential Keynes, London: Penguin Random House.

 

Aantal woorden: 1498

Piet Keizer, emeritus associate professor of economic methodology

Utrecht University School of Economics

01-07-2020

 

 

 

 

This entry was posted in Artikelen, Multidisciplinary Economics and tagged , , , , , , . Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s