De meeste mensen deugen – ook het boek van Bregman deugt

De meeste mensen deugen – ook dit boek van Bregman deugt

Met het boek “De meeste mensen deugen” heeft Rutger Bregman (2019) een meesterwerk afgeleverd. Zijn missie deugt, en het boek is fraai geschreven. Voor iedereen die het nieuws op de media volgt, is de tekst een noodzakelijk tegengif. Een dergelijke prestatie vraagt ook om een kritische beschouwing – vandaar dit commentaar.

Bregman ziet het orthodoxe christendom als een belangrijke bron van negatieve mensbeelden. Deze visie is daarmee ook zelf een bron van ongeluk; het werkt als een zichzelf vervullende verwachting. De wetenschap heeft daar helaas ook zijn steentje aan bijgedragen: economie over egoisme en concurrentie, sociologie over groepsdenken en rivaliteit, en psychologie over de gevoeligheid van mensen voor beloning en straf. Hij laat zien aan de hand van vele empirische en experimentele onderzoeken, die in het verleden zijn gedaan, dat we minder barbaars en volgzaam zijn dan de onderzoekers zelf, in eerste instantie, hebben geconcludeerd. Nadere bestudering van de onderzoeksrapporten bracht Bregman tot heel andere conclusies.

Het boek pretendeert een nieuwe geschiedenis van de mens te schrijven. Het verhaal begint bij het einde van de ijstijd, zo’n 15.000 jaar geleden. De toenemende temperatuur verhoogde de vruchtbaarheid van de grond. Jagers en verzamelaars hadden een goed leven. Ze zwierven in groepjes van zo’n 40 – 50 mensen rond, en hadden vriendschappelijke contacten met elkaar. In geval van conflicten was het eenvoudig om een eind verderop te gaan jagen en verzamelen. Maar de toenemende productiviteit van de grond maakte het mogelijk om nederzettingen te bouwen en voor langere tijd op een bepaalde plaats te blijven. De groepen werden groter en voorraden van voedsel en werktuigen moesten beschermd worden – mensen zijn nooit engelen geweest! Grotere groepen vereisten strikt leiderschap. Als gevolg van de ontwikkeling van instituties, zoals privaat eigendom en geld, groeide de ongelijkheid, met alle sociale onrust vandien. Als gevolg van de concentratie van grote groepen op een beperkt grondgebied nam de kans op besmettelijke ziekten toe, en het leidde tot voortdurende strijd om de macht in een bepaalde regio.

De sociale psychologie heeft aangetoond dat mensen onder bepaalde omstandigheden tot de vreselijkste dingen in staat zijn; de Holocaust is daar een goed voorbeeld van. Bregman toont echter aan dat veel van de bekende experimenten meer toneelspel zijn dan een echt wetenschappelijk experiment. Het Stanford Prison experiment, het Robbers Cave experiment en de schokmachine van Milgram illustreren dit. In alle gevallen werden bepaalde partijen door de organisatoren van het experiment aangemoedigd flink op te treden. Proefkonijnen waren daar vaak toe bereid, omdat ze dachten dat ze meewerkten aan ‘de wetenschap’, of dat het op één of andere manier natuurlijk maar een spelletje was. Anderen weigerden om mee te blijven doen.

Macht corrumpeert. Maar omdat mensen massaal blijven vasthouden aan het idee dat mensen niet te vertrouwen zijn, en altijd moeten worden gecontroleerd en gemanipuleerd met behulp van beloning en straf, komen we moeiljk van die corrumperende machtsverhoudingen af. Maar er zijn hoopgevende uitzonderingen: Noorse gevangenissen zijn gebaseerd op een heel ander mensbeeld, en de recidive is er vele malen lager dan in de VS. Aan het eind krijgt de lezer een tiental leefregels mee, onder het motto: ken uzelf.

Zoals gezegd, het boek is een opluchting voor hen, die onder de indruk zijn van het kwaad in de mens – het kwaad in alle mensen. Het is goed om de wereld eens vanuit een ander paradigma te ervaren. Maar in het boek van Bregman doet zich een opmerkelijk probleem voor. Het onderwerp betreft de (goede) aard van mensen, maar het overgrote deel van het boek gaat over het gedrag van mensen. Voorzover mensen slechte dingen doen, wordt dit besproken onder de titel: waarom goede mensen slechte dingen doen. En dan blijkt dat macht corrumpeert, en dat machteloosheid ook verslavend werkt: ik kan niets, en ik wil niets. Maar op deze wijze komen we niet tot een eerlijke verdeling van oorzaken. In welke mate wordt gedrag bepaald door psychologische karakteristiek enerzijds en door omstandigheden anderzijds. Mijn antwoord is: altijd door beide factoren, waarbij de twee ook invloed hebben op elkaar. Maar beide factoren hebben een autonoom element ten opzichte van elkaar. Dit betekent dat de hoofdvraag van het boek niet kan worden beantwoord door empirisch of door experimenteel onderzoek alleen. Ook zorgvuldige en deskundig begeleide introspectie (ken uzelf!) zal onderdeel moeten zijn van longitudinaal onderzoek. Sommige mensen zijn egoistischer dan anderen. Sommige mensen hebben een sterkere hang naar materieel comfort dan anderen. Sociaal bewustzijn en milieubewustzijn zijn variabelen.

Mensen hebben naar Bregman’s idee een goed been en een slecht been. Het is maar welk been je traint. Dit lijkt me geen goede metafoor. Kahneman (2011) laat zien dat mensen gevoelig zijn voor gemakkelijk verkregen comfort. De vrsg of bepaalde handelingen ook daadwerkelijk goed zijn, kost meer tijd en energie. Helaas maakt Bregman niet expliciet, wat precies onder goed en wat onder kwaad wordt verstaan. Stel dat iemand een onderneming opricht. Hij is intelligent en werkt hard. Het wordt een succes, en de persoon wordt rijk, hetgeen zijn bedoeling was. Hij houdt zich aan de regels, die de overheid in het land heeft gesteld. De arbeidsvoorwaarden zijn humaan, en het milieu wordt niet vervuild. Volgens de economie draagt hij flink bij aan het algemene welzijn – ook al was financieel gewin zijn motief. Is dit in moreel opzicht goed, slecht of neutraal? Nog een voorbeeld: Nederland werd in 1940 overvallen door Duitsland, een land waar vreselijke dingen gebeurden. Bij de Grebbeberg boden Nederlandse soldaten fel tegenstand. Stel dat een belangrijk deel van de Nederlandse soldaten niet had meegevochten – zodra ze zich konden verstoppen achter een bosje, deden ze dat; zo bang waren ze. Is dat moreel goed, slecht of neutraal? Sociologisch gezien was de Nederlandse reactie goed verklaarbaar – groepssolidariteit. Een laatste voorbeeld: de economische wetenschap wordt sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw in toenemende mate gedomineerd door de neoklassieke benadering. Massa’s economen studeren af, zonder ook maar enig benul te hebben van grote namen uit het vak. Marx, Weber, en Keynes zijn hier goede voorbeelden van. Nagenoeg alle stafleden volgen deze ontwikkeling klakkeloos. Als ze gevraagd worden naar hun eigen visie, worden de schouders opgehaald. Als ze geconfronteerd worden met een alternatieve verklaring voor de crisis van 2008, wordt er wat gemompeld: wat een onzin. Een dergelijk irrationaliteit – allerlei vormen van wetenschappelijk onderzoek niet willen weten – heeft ongelooflijk veel schade toegebracht, ook aan de weggezette personen, die wel hun eigen visie wilden ontwikkelen. Is deze vorm van irrationaliteit moreel goed, slecht of neutraal?

Mijns insziens zijn het sociale zondebokmechanisme (dwarsliggers worden de woestijn in gestuurd) en het psychische struisvogelmechanisme (ongemakkelijke waarheden worden niet toegelaten in de geest) twee grote barrières om tot goed gedrag te komen (Keizer, 2015, 2017a, 2017b, 2018). Mijn onderzoekslijn komt bij hetzelfde punt uit dat Bregman maakt in zijn boek. Creëer omstandigheden waarin het gedrag van mensen niet sterk gestuurd wordt; afgeperkte ruimte moet worden geboden. Dat geldt niet alleen voor kinderen; ook volwassenen, die getalenteerd zijn, moeten in hun werk veilig hun eigen verantwoordelijkheid kunnen dragen. Dwarsliggers en klokkenluiders lopen nu gevaar. Als we mensen vertrouwen geven, krijg je veel van ze terug. Ieder persoon moet leren – levenlang leren – om goed te functioneren in grotere gehelen. Goed functioneren geeft betekenis; ruimte voor creativiteit geeft duurzame voldoening.

Conclusie: of de aard van mensen goed of slecht is, weten we niet. Maar benader elkaar eens wat vaker op basis van vertrouwen – het resultaat kon wel eens verrassend zijn. Benader jezelf eens met wat meer vertrouwen, en investeer in je eigen goede functioneren. Wat een bevrijding is dat.

Literatuur

Rutger Bregman (2016), Utopia for Realists, London: Bloomsbury Paperbacks.

Rutger Bregman (2019), De meeste mensen deugen, Amsterdam: De Correspondent.

Daniel Kahneman (2011), Thinking Fast and Slow, London: Penguin Books.

Piet Keizer (2015), Multidisciplinary Economics, A Methodological Account, Oxford: Oxford University Press.

Piet Keizer (2017a), Hoe de crisis het economische denken verandert, Amsterdam: Amsterdam University Press.

Piet Keizer (2017b), A Multidisciplinary-economic Framwork of Analysis, Journal of Philosophical Economics, X:1.

Piet Keizer (2018), A Multidisciplinary-economic Approach to Inclusive Institutions Analysis, Journal of Theoretical Economics Letters, (34), 6.

 

 

This entry was posted in Columns, Multidisciplinary Economics and tagged , , , , , , , , , . Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s