De rol van de Koninklijke Vereniging voor de Staathuishoudkunde

De rol van de Koninklijke Vereniging voor de Staathuishoudkunde

Inleiding

Bankiers, accountants en advocaten hebben een beroepsvereniging. Als er in de maatschappij groeiende onvrede bestaat over hun functioneren, is er in ieder geval een aanspreekpunt. Deze structuur werkt op dit moment niet goed, maar er is in ieder geval een plek waar mensen hun onvrede kunnen uiten, en waar de professionals collega’s kunnen ontmoeten om er gesprekken mee aan te gaan. Economen echter, worden nergens op aangesproken – hun analyses, theorieën en berekeningen staan nergens ter discussie. Als de overheid onderwijsprogramma’s in de economie laat evalueren, zijn de procedures en de keuze van mensen die zich daarmee bezighouden, intransparant. Als economen in de praktijk – CPB, CBS, DNB, FINANCIEN, SOZAWE, WRR, EZ, FNV, SER, media, banken, onderzoeksinstituten, e.d. – beweringen doen, wordt daar nooit verantwoording over afgelegd. Het beroep ‘econoom’ heeft geen stem, die in de media wordt gehoord. Alle genoemde instituten staan onder zware druk van belangengroepen, waardoor hun teksten belangrijke vertekeningen bevatten. Een beroepsvereniging, mits democratisch georganiseerd, vormt dan een welkome tegenkracht. We zullen een aantal voorbeelden geven van gebeurtenissen, waar iedere rechtgeaarde econoom zich voor schaamt. Daarna gaan we in op de vraag waar de economische wetenschap eigenlijk voor staat, en welke kenmerken van onderwijsprogramma’s nodig zijn om kwaliteit te bieden aan studenten en de maatschappij als geheel. Aan het einde worden een paar conclusies getrokken.

Recente ontsporingen

De crisis van 2008 is veroorzaakt doordat vele financiële instellingen nauwelijks buffers meer hadden. Post-Keynesianen hebben hier vaak voor gewaarschuwd. Maar universiteiten, media en politiek hebben zich de afgelopen decennia in toenemende mate afgekeerd van mensen, die zich kritisch uitlaten over bestaande praktijken. Voor de anti-crisispolitiek geldt hetzelfde. Omdat er geen platform meer is waar economen met elkaar in permanente discussie zijn, is de praktijk de uitkomst van een machtsstrijd – gewonnen door neoklassiek-georienteerde kwantitatieve economen. De onderwijsprogramma’s – HAVO, VWO, HBO, WO – laten zien waar deze uitslag toe geleid heeft. De tekstboeken die worden gebruikt aan de universiteiten, komen vooral uit de Angelsaksische wereld, en geven een zwaar vertekend beeld van de economie.

Een derde voorbeeld van ontsporing gaat over de ‘hervormingen’, waar de Nederlandse politiek nu al zo lang over praat. Impliciet wordt ervan uitgegaan dat dit deregulering betekent. Dat dit funest kan zijn, zeker in tijden van depressie, komt nooit ter sprake. Dat Europese landen goede redenen hadden hun arbeidsmarkten in de eerste helft van de 20ste eeuw te reguleren, is volstrekt onbekend bij de massa van economen die regelmatig in de media optreden.

Een vierde voorbeeld betreft de privatisering en verkoop aan buitenlandse ondernemingen van strategische bedrijven. Economen hebben door hun gebrekkige opleiding echter een intuïtie ontwikkeld, die deze trend zonder doordachte argumenten goedkeurt. Zodra een wetenschapper-niet-econoom zich met de economie als maatschappelijke sector bemoeit, wordt deze persoon al snel de deur gewezen. Met name sociologen staan laag in de economische pikorde.

Een vijfde voorbeeld betreft de mededingingspolitiek: de Autoriteit Consument en Markt (ACM) heeft neoklassieke economen en juristen in dienst. Er zijn geen economisch sociologen, zodat de Autoriteit niet kan profiteren van hun expertise. De onderwijsprogramma’s in Nederland bieden geen ruimte om in de micro- en macro-economische blokken aandacht te besteden aan het sociologische perspectief. Dat is een groot gemis, omdat het sociale en politieke mechanisme een grote invloed uitoefent op de marktwerking. De gevolgen voor het beleid zijn groot, en een aanhoudend debat is hier noodzakelijk.

Een zesde voorbeeld gat over de wijze waarop economen kosten en baten waarnemen. In hun analyses wordt geabstraheerd van sociale en psychische kosten en baten. Bovendien wordt het begrip ‘economisch’ vaak gereduceerd tot ‘financieel’. De definities worden zodanig geformuleerd, dat berekeningen kunnen worden gemaakt.

Kwaliteitscriteria

De orthodox-economische wetenschap pretendeert niet dat ze empirisch relevant is. Onder invloed van de opkomende econometrie is daar drastisch verandering in gekomen. Lag de nadruk eerst op de studie van het economische aspect van menselijk gedrag, na de Tweede Wereldoorlog kwam de nadruk sterk te liggen op de analyse van de economie als maatschappelijke sector. Deze verschuiving in strategie, zonder de analyse ingrijpend te wijzigen, heeft sterk negatieve gevolgen gehad voor de kwaliteit van onze economische kennis. Sociologen hebben zich nooit beperkt tot de analyse van het sociale aspect van menselijk gedrag. De maatschappij, waaronder de economie, is haar probleemveld. Economen kunnen daarom veel leren van de grote klassieke economisch-sociologen, zoals Marx, Durkheim, Weber en Parsons. Tot op de dag van vandaag doet de ‘mainstream’-economie dat niet.

Om tot een goede omschrijving van het vakgebied ECONOMIE te komen, zullen we alle relevante aspecten in ogenschouw moeten nemen (Keizer, 2015, 217a). Om het verhaal kort te houden beperk ik me hier tot een opsomming van deelvakken, die tot de kern van het vak moeten worden gerekend:

  1. De alfa-delen: wetenschapsfilosofie, logica, wiskunde, statistiek, geschiedenis, geografie;
  2. De gamma-delen: micro-economie, macro-economie, economie van de publieke sector, institutionele economie, economische sociologie, economische psychologie (gedragseconomie) en economisch recht.

Bij de studie geneeskunde zien we dat opleidingstrajecten veel meer tijd in beslag nemen; ze nemen hun beroep zeer serieus. Dat zouden economen ook moeten doen. Medisch-specialisten staan onder de dagelijkse druk van leven-en-dood kwesties; dat beinvloedt de meesten ten goede. Als de economen een enorme chaos creëren, is er een enkeling die zelfmoord pleegt, waarna de caravaan verder trekt. Een enkele les economische geschiedenis is onvoldoende om de ernst van het vak in te te zien. Zorgvuldigheid op basis van breed en daarom ook diepgaande kennis is een eerste vereiste.

Kijken we naar de onderwijsprogramma’s aan de universiteiten, dan valt een enorme eenzijdigheid op (Tieleman e.a., 2016). Eerstejaarseconomen moeten tekstboeken doorwerken, die de toets van kritiek niet kunnen doorstaan. Rechtstreeks ingevoerd uit Angelsaksische landen, komt de inhoud in de hoofden van de studenten terecht. Het belangrijkste kenmerk van academisch onderwijs, te weten permanente kritische reflectie, is een zeldzaamheid; gewoon stampen is de regel. Als gevolg van de ver doorgevoerde specialisatie worden blokken gescheiden ontwikkeld en gegeven, waardoor belangrijke relaties voor de studenten onzichtbaar blijven. Micro-economie is neoklassiek van aard, ook het institutionele deel. Macro-economisch gefundeerde micro-economie bestaat niet. Als er een keuzevak sociale economie of economische sociologie wordt aangeboden, staat dat geheel los van de hoofdmoot van het programma. Het betekent dat deze kennis geisoleerd wordt opgeslagen in de geesten van de studenten, en daarom niet kan dienen als aanvulling of alternatief voor de neoklassieke hoofdmoot. Macro-economie behandelt nooit het post-Keynesiaanse wetenschapsprogramma, radicaal-economische gezichtspunten. Hetzelfde geldt voor micro-economie: de Oostenrijkers komen er bekaaid af, evenals de originele institutionele economie en de gedragseconomie als zelfstandig wetenschapsprogramma’s .

We moeten toe naar de volgende structuur:

Bachelors: een 3-jarige algemene inleiding in wetenschappelijk-economisch denken, waarbij de rol van logica, wiskunde en statistiek belangrijk is.

Masters: een 2-jarige opleiding, waarbij studenten zich tot op zekere hoogte kunnen specialiseren. Sommigen leggen de nadruk op het kwalitatieve aspect; anderen meer op het kwantitatieve aspect.

PhD-traject: een 5-jarig programma, waarbij studenten een proefschrift schrijven, waaruit de status van het vak ECONOMIE blijkt.

Daarna kunnen studenten solliciteren naar een baan. In veel gevallen komen ze dan opnieuw in een opleidingsfase – dat is dan een beroepsopleiding, waar ze leren practisch-relevante analyses te maken en beleidsdiscussies te voeren. De Nederlandse overheid heeft in 1987 de BOFEB opgericht, waar financieel-economische expertise wordt aangeleerd. Andere vormen van beleid – zoals sociaal-economisch beleid – hebben geen beroepsopleiding (in tegenstelling tot Belgie!); jammer voor SOZAWE en de vakbeweging. Banken hebben elk hun eigen traineeships, en ook DNB en EZ zorgen ervoor dat de juiste mensen worden aangetrokken. Een goede universitaire vooropleiding is dus erg belangrijk wanneer de gepromoveerde economen doorstromen naar de maatschappij. Al deze opleidingen zouden hun programma’s en literatuur bekend moeten maken. Alleen op deze wijze kunnen KVS-leden zich hier een oordeel over vormen.

De huidige rol van de KVS

De notulen van de vergadering van 11 juni 2015 geven inzicht in de zienswijze van het Bestuur. De Onderwijsdag, die een half jaar geleden in Rotterdam werd gehouden, geeft een indruk van de practijk van de KVS. Het Bestuur vindt de VSNU-code voldoende om kwaliteit te waarborgen. We moeten eerlijk zijn, zorgvuldig, betrouwbaar, controleerbaar, reproduceerbaar, onpartijdig, onafhankelijk, en verantwoordelijk naar de maatschappij toe. Het Bestuur acht het belangrijk om niet al te normatieve en politiek geladen stellingen te poneren.

In reactie op een notitie van Eric Vandamme, waarin ook op het thema ‘economen en media’ wordt ingegaan, beaamt het Bestuur dat het regelmatig voorkomt, dat weinig onderlegde economen overdreven opinies geven, waar de media graag opduiken. Onzin wordt zodoende niet ontmaskerd. Als trouw lezer van het FD, de NRC en Trouw is me het laatste decennium iets anders opgevallen. Met name de NRC heeft systematisch geweigerd om niet-liberale analyses te publiceren als ook een mogelijke visie: ‘Wij staan in de liberale traditie”. Ook andere relevante media kozen steeds voor de gevestigde opvattingen. Gezien de enorme vertekening in de onderwijsprogramma’s is dit natuurlijk geen verrassing. Van een beroepsvereniging mag worden verwacht dat de enorme onbalans die in de afgelopen decenna in de economische wetenschap is ontstaan, wordt bestreden.

Ten slotte

In de loop van de 20ste eeuw heeft de economische wetenschap zijn strategie belangrijk verandert zonder dat de analyse een fundamentele wijziging heeft ondergaan. Dat heeft tot een enorm kwaliteitsverlies geleid. We kunnen veel van heterodoxe economie, economische sociologie en gedragseconomie leren. Omdat hun methodologie gebrekkig is, vormen ze geen alternatief voor de bestaande ‘mainstream’. De beste strategie is daarom: ‘laat duizend bloemen bloeien’. Concurrentie en samenwerking is de oplossing; niet rivaliteit en discriminatie. De psychologie leert ons dat het erkennen van eigen gebreken de belangrijkste barrière is naar meer rationaliteit. Van de sociologie leren we dat we graag ons gelijk halen door ons te omringen met gelijkgezinden, en critici de deur te wijzen. Zo blijven we in primitieve cirkels van rivaliteit ronddraaien. Een open geest voor dat wat ‘onzin’ lijkt, is de belangrijkste eigenschap van een wetenschapper. Lang leve de economische wetenschap.

Literatuur

Piet Keizer (2015), Multidisciplinary Economics, A Methodological Account, Oxford: Oxford University
Press.

Piet Keizer (2017a), Hoe de crisis het economische denken verandert; linkse en rechtse dogma’s ontrafeld, Amsterdam: Amsterdam University Press.

Piet Keizer (2017b), A Multidisciplinary-economic Framework of Analysis, Journal of Philosophical Economics, XI (1), 2017.

Joris Tieleman e.a.(2016), De maatschappelijk econoom, KVS-Pre-adviezen Lans bovenberg, F. Haan (reds.), Sdu.

 

 

Advertisements
This entry was posted in Artikelen, Multidisciplinary Economics and tagged , , , , , , , , , , , . Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s