BUMP, BUST, BUMP – EEN FILM DIE ONS AAN HET DENKEN ZET

Bump, Bust, Bump – een film die ons aan het denken zet

Inleiding

Op 26 mei ging in het Tuschinski theater de film Bump,bust, bump in première. Het laat zien waarom neoklassiek geschoolde economen de financiële crisis niet zagen aankomen, en vervolgens een beleid ontwikkelden, die een averechts effect had; een aanhoudende depressie in de eurozone was onder meer het resultaat. Een groot aantal genodigden woonden de première bij, en aan de kleding te zien, waren er velen rechtstreeks van de Zuidas naar Tuschinski gereden. De film laat vele critici aan het woord, en de beelden en teksten hebben een hoog Monty Pyton karakter – veel humor dus.

Het paradigma van de film

De film richt zich met name op het neoklassieke axioma van de volledige rationaliteit. Dit

uitgangspunt is verantwoordelijk voor de logische implicatie dat vrije markten en markteconomieën stabiele systemen zijn. In geval van een onevenwichtigheid – hoe groot ook – is er een automatische tendens naar evenwicht.

De filmmakers gaan er echter vanuit dat mensen irrationeel zijn. In ‘bump’ perioden zijn ze overoptimistisch, en in ‘bust’ perioden zijn ze overpessimistisch (Keynes, 1936; Minsky, 1982). Veel geinterviewde economen verwijzen naar gedragseconomisch onderzoek – een stroming die een samenwerking is tussen economie en cognitieve en behaviouristische psychologie (Kahneman, 2011). The les die mensen zouden moeten leren van de geschiedenis is ‘dat wat stijgt ook weer gaat dalen’ (Akerlof, Shiller, 2009).

Indien we de argumentaties van de economen in de film aan een nadere beschouwing onderwerpen, ontdekken we een varieteit aan ‘oorzaken’ van de crisis. De FED had de interestvoet niet moeten verhogen. Banken hadden geen rommelhypotheken moeten accepteren. Ze hadden nooit zulke extreme ‘leverage-ratio’s mogen toepassen. De modellen van de overheid, die de economie pretendeerden te beschrijven, bevatten geen financiële sector. De gemeenschappelijke noemer van deze oorzaken is gelegen in het irrationele gedrag van vele marktparticipanten: aanbieders van geld en kapitaal zowel als van vragers. De neoklassieke economen van mening zijn dat financiële zeepbellen onvermijdelijk zijn, en de gevolgen alleen met een ruime monetaire politiek kunnen worden beperkt. De critici in de film zijn echter van mening dat de financiële markten opnieuw moeten worden gereguleerd. Door mensen te onderwijzen in analyses en modellen waarin irrationaliteit wordt verondersteld, zullen ze begrijpen dat wetgeving rationeel is, en zullen ze zich daar aan houden. Ook zullen ze veronderstellen dat anderen zich er ook aan zullen houden.

Kritiek op de gedragseconomische benadering van de film

Mijns insziens is dit veel te simpel gesteld. In de eerste plaats heeft niemand in de film een fatsoenlijke definitie gegeven van het fenomeen irrationaliteit. Deze omissie is het gevolg van het feit dat cognitieve psychologen heel lang de relatie tussen gedachten en emoties niet hebben onderkend (Keizer, 2015). Daardoor blijft irrationaliteit geinterpreteerd als een cognitieve onvolkomenheid, zonder dat er wordt verwezen naar de emotie, die de mensen ertoe brengt om de fouten niet te corrigeren. In de tweede plaats heeft geen enkele geinterviewde de resultaten van de sociologie van financiële markten ingebracht. In Keizer (2015) wordt juist de combinatie van psychologische en sociologische factoren als explosief gezien. In de derde plaats worden de analyses van de radicale economie genegeerd. In deze benadering worden ontwikkelingen in de financiële sector gekoppeld aan ontwikkelingen op de arbeids- en goederenmarkten. De ongelijkheid in inkomens wordt op deze wijze een belangrijke variabele: deze kan te groot, maar in theorie ook te klein zijn.

De behoefte aan pluralisme in de economie

Een aantal problemen maakt dat een vervanging van de neoklassieke analyse door een gedragseconomische, geen oplossing biedt.Er is behoefte aan pluralisme, in de onderzoeks- zowel als in de onderwijsprogramma’s.

Ten eerste wordt er in het debat tussen de neoklassieken en de gedragseconomen impliciet aangenomen dat objectief-empirisch kan worden vastgesteld of mensen rationeel dan wel irrationeel handelen. Helaas is dat niet het geval. Sterker, dat is nooit het geval. Om iets empirisch vast te stellen, hebben we een paradigma nodig, die bepalend is voor de wijze waarop variabelen worden geselecteerd en gedefinieerd. In de neoklassieke benadering bestaat irrationaliteit niet. Fouten zijn louter het gevolg van een gebrek aan informatie. Gedragseconomie, zoals dat in de film naar voren komt, levert echter geen bevredigende theoretische definitie op van het fenomeen irrationaliteit.

In de tweede plaats ontbreekt een analyse van de interactie tussen het psychologische mechanisme van de irrationaliteit en het sociologische mechanisme van de cultuurvorming anderzijds. Onze economieen staan bol van de irrationele subculturen, waarin mensen elkaar bevestigen in de juistheid van hun gedrag, terwijl het zakelijk bekeken ronduit irrationeel is.

In de derde plaats is de stelling van de film dat onze irrationele natuur een constante is, problematisch. Ons natuurlijk potentieel mag een constante zijn, de mate waarin we onze vermogens ontwikkelen is zeker een variabele, en afhankelijk van tijd en plaats. Mensen kunnen in de loop van hun leven leren hun primitieve emoties beter te onderkennen en te beheersen. Mensen kunnen leren om eens op te houden om altijd en eeuwig te rivaliseren met leden van groepen die hoger op de statusladder gepositioneerd zijn. Adam Smith heeft uitvoerig geschreven over prudentie als noodzakelijke eigenschap voor iedereen, en superieure prudentie voor de elite. Noord-Europa heeft in de loop der tijd meer succes gehad om sociale conflicten onder de knie te krijgen dan andere delen in de wereld.

Indien we irrationaliteit beschouwen als een constante, doet zich de vraag voor hoe we de negatieve gevolgen ervan kunnen verminderen. De film zegt dat we economische-politieke systemen moeten bouwen, welke het gedrag van mensen kunnen reguleren. We moeten hierbij wel beseffen dat irrationele mensen deze systemen ontwerpen en uitvoeren, en dat irrationele mensen worden geacht zich stipt aan de regels te houden.

Indien we irrationaliteit niet als een constante beschouwen, hebben we behoefte aan analyses van economie en maatschappij, waarin ook persoonlijke en sociale systemen als beheersingssystemen functioneren, en functioneren als complement van de gangbare modellen, waarin alleen economische en politieke restricties gelden.

Een multidisciplinaire benadering: Keizer (2015)

Keizer (2015) biedt een uitgebreide behandeling van de methodologische eigenschappen van de orthodox/neoklassieke en heterodxe benaderingen. Het boek komt op basis daarvan tot de conclusie dat de economische wetenshcap alleen als theoretische basis voor empirisch onderzoek kan functioneren, indien psychologische en sociologische factoren een integraal onderdeel vormen van het zogeheten multidisciplinair-economische model. Op basis van een grondige methodologische analyse van een groot aantal psychologische en sociologische benaderingen wordt er een psychologische en een sociologische logica gebouwd. Deze analyses worden vervolgens geintegreerd met de economische logica van de orthodoxe economie. Op deze manier functioneren de economische, psychologische en sociologische systemen als elkaars fundering.

Conclusie

We kunnen de conclusie trekken dat het dominante neoklassieke denken concurrentie behoeft. Het bijna-monopolie van deze benadering in het onderwijs moet worden vervangen door een weldoordacht pluralisme. Alleen op deze wijze kunnen studenten een kritische ahouding worden aangeleerd. De BBB-film kan een prikkel zijn om een dergelijke omslag te bevorderen.

Referenties

Akerlof, G.A., R.J. Shiller (2009), Animal Spirits. How Human Psychology Drives the Economy, and Why it Matters for Global Capitalism, Princeton: Princeton University Press.

Kahneman, D. (2011), Thinking Fast and Slow, London: Penguin Books.

Keizer, P. (2015), Multidisciplinary Economics, A Methodological Account, Oxford: Oxford University Press.

Keynes, J.M. (1936), The General Theory of Employment, Interest and Money, London: MacMillan.

Minsky, H. (1982), Inflation, Recession and Economic Policy, Brighton: Harvester; Armonk, N.Y.: M.E. Sharpe.

 

 

 

 

This entry was posted in Artikelen, Multidisciplinary Economics and tagged , , , , , , , . Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s